Ontslag van een ambtenaar

Onder welke voorwaarden kan een ambtenaar ontslagen worden? De wet biedt verschillende ontslaggronden, waaronder ontslag wegens functionele ongeschiktheid, arbeidsongeschiktheid, opheffing van de functie, overtolligheid en het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. In het hiernavolgende worden twee mogelijkheden van ontslag uitgelicht: het incompatibilité d’humeur-ontslag en een ‘disciplinair ontslag’ wegens plichtsverzuim.

Incompatibilité d’humeur-ontslag

Hoewel een bevoegd gezag veel vrijheid toekomt bij de inkleuring van een incompatibilité d’humeur-ontslag, dient een dergelijk ontslag wel op een deugdelijke en in toereikende mate op de persoon toegespitste feitelijke grondslag te berusten. Alle ambtelijke rechtspositieregelingen bevatten bepalingen inzake het verlenen van ontslag. Ontslag is niet mogelijk als de desbetreffende rechtspositieregeling dat niet toelaat en ook is ontslag niet mogelijk op andere dan één van de daarin opgesomde gronden. Desalniettemin zijn de meeste ontslagsystemen voor ambtenaren niet helemaal gesloten. Vrijwel ieder ambtenarenreglement kent het ontslag ‘op andere gronden’. Oftewel, het incompatibilité d’humeur-ontslag.

Volgens vaste rechtspraak is er sprake van incompatibilité d’humeur (onverenigbaarheid van karakters) indien een arbeidsverhouding verstoord is en in redelijkheid niet meer kan worden hersteld, terwijl de verstoring zodanig is dat een normale werksituatie niet meer tot de mogelijkheden behoort. Met andere woorden, er is sprake van een impasse in de ten tijde van het ontslag tussen partijen bestaande arbeidsrelatie, waarin geen uitzicht meer bestaat op herstel van een vruchtbare samenwerking. Kort en goed komt het bevoegd gezag veel vrijheid toe bij de inkleuring van deze ontslaggrond. Echter, deze vrijheid is niet onbeperkt zo blijkt uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 16 januari 2014.

Appellant is werkzaam bij de Gemeenschappelijke Regeling Breed (hierna: Breed), in de functie van directeur middelen. Appellant valt rechtspositioneel onder de algemeen directeur. Breed voert voor negen deelnemende gemeenten de Wet sociale werkvoorziening uit. Op een gegeven moment heeft de Ondernemingsraad van Breed het vertrouwen in de directie opgezegd en een zwartboek gepresenteerd. Het dagelijks bestuur heeft daarop aan een bureau opdracht gegeven tot het doen van onderzoek. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft het dagelijks bestuur het voortouw genomen om tot een verbeterslag te komen. Zo gezegd, zo gedaan. Na verloop van tijd uitte de Ondernemingsraad zijn zorgen over de voortgang van dit verbeterproces. Nieuwe onrust was het gevolg.

Uiteindelijk zegt de Ondernemingsraad wederom het vertrouwen in de directie op. Waarop het dagelijks bestuur hetzelfde bureau nogmaals opdracht geeft tot het doen van onderzoek. Een en ander leidt er toe dat appellant wordt geschorst en uiteindelijk aan hem ontslag wordt verleend op grond van incompatibilité d’humeur conform artikel 8:8 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Breed. Na zowel in bezwaar als beroep nul op het rekest te hebben gekregen, stelt appellant hoger beroep in tegen genoemde besluiten.

In het hiernavolgende beperk ik mij tot het hoger beroep tegen het ontslagbesluit.

De Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) oordeelt dat het ontslag van appellant op zijn minst prematuur is geweest, doordat het ontslag niet op een deugdelijke en in toereikende mate op zijn persoon toegespitste feitelijke grondslag berust. Het kennelijk door Breed gevoelde vertrouwensverlies behoorde geen grond voor ontslag te vormen zo lang dit niet door voldoende feitelijke gegevens wordt geschraagd. Kort en goed had het op de weg van Breed gelegen om nader onderzoek te (laten) doen naar de rol van appellant  in het geheel alvorens tot ontslag over te gaan. De Raad concludeert dat ten tijde van het ontslagbesluit geen sprake was van een impasse. De Raad constateert bovendien dat het functioneren van appellant steeds naar behoren is geweest. Derhalve bestaat er geen deugdelijke en in toereikende mate op de persoon van appellante toegespitste grondslag voor een incompatibilité d’humeur-ontslag. Om die reden verklaart de Raad het hoger beroep (op dit onderdeel) gegrond en vernietigt de Raad het bestreden besluit, waarbij het ontslagbesluit wordt herroepen.

Na ruim twee en een half jaar blijkt appellant gewoon weer in dienst te zijn van Breed.
Vindplaats: Centrale Raad van Beroep 16 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:58.

Plichtsverzuim

Een ambtenaar die zijn taken verzuimt kan oneervol worden ontslagen. In het ambtenarenrecht wordt dit een ‘disciplinair ontslag’ genoemd. Voorwaarde voor disciplinair ontslag is dat er sprake moet zijn van plichtsverzuim. Maar wanneer is er dan sprake van plichtsverzuim?

Onze hoogste rechter in het ambtenarenrecht – de Centrale Raad van Beroep (hierna: ‘CRvB’) – heeft hierover diverse uitspraken gedaan. In deze uitspraken komen enkele aanknopingspunten naar voren wanneer er sprake kan zijn van plichtsverzuim:

  • Niet-integer handelen door de ambtenaar kan plichtsverzuim opleveren. Integriteit is een belangrijk speerpunt voor ambtenaren. Vooral voor bepaalde ambtenaren die direct openbaar gezag en daardoor verregaande bevoegdheden hebben, zoals politieagenten of medewerkers van een rechtbank, is integriteit belangrijk.
  • Privégedrag van een ambtenaar is – voor zover deze privégedragingen op een nadelige wijze invloed kunnen hebben op de dienstbetrekking van deze ambtenaar – ook een aanknopingspunt voor plichtsverzuim. Als een ambtenaar in strijd handelt met een voor hem geldend(e) arbeidsreglement of gedragscode, wordt plichtsverzuim bovendien sneller aangenomen.
  • Belangenverstrengeling bij een ambtenaar is uit den boze. Transparantie is erg belangrijk. De ambtenaar zal steeds zijn leidinggevende op de hoogte moeten houden van alle mogelijke belangenverstrengelingen. De ambtenaar dient zelfs bij twijfel zijn leidinggevende hierover te informeren om op zijn minst de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen.

Bij de beoordeling of er sprake is van plichtsverzuim is – met oog op eventuele aanknopingspunten – de aard van de functie en de ernst van de gedraging van belang.

Maar hoe moet het College van B&W plichtsverzuim door een ambtenaar aantonen? Plichtsverzuim wordt voldoende aangetoond ingeval het College van B&W ervan overtuigd is dat de betreffende ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedraging. Het College van B&W dient wel deze overtuiging te verkrijgen op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens. Daarvoor dient zij zelfstandig alle feiten te onderzoeken. Plichtsverzuim kan dus niet zomaar worden aangenomen door het College van B&W.

Voor disciplinair ontslag is het echter onvoldoende als er plichtsverzuim is op basis van één enkele gedraging of incident en de ambtenaar hier geen voordeel van heeft gehad. Volgens de CRvB is disciplinair ontslag dan onevenredig. Het plichtsverzuim van de ambtenaar zal dan op een andere wijze moeten worden gesanctioneerd, bijvoorbeeld door middel van een schriftelijke berisping of schorsing.

Vragen

Vragen over ontslag in het ambtenarenrecht? Neem contact op met één van de specialisten Ambtenarenrecht!