Zonnepanelen, zonneschermen: bestanddeelvorming en eigendomsvoorbehoud

Enige tijd geleden schreef ik een blog over duurzaamheid, zonnepanelen en de juridische invulling daarvan. De vraag in die blog was: wat is de eigendomssituatie van deze “panelen” met name in een situatie dat de eigenaar van een gebouw, niet zijnde de investeerder in de panelen, financieel in ongerede geraakt en mogelijk failleert?

In een tweetal gevallen, weliswaar niet over zonnepanelen maar over zonwering/klimaatinstallatie, komt deze materie weer naar voren.

Bestanddelen.

Artikel 3:3 BW geeft de bepaling wat onroerend is en wat roerend. In lid 1 worden onroerende goederen omschreven, en Onroerend zijn:(1) Gebouwen die duurzaam met de grond zijn verenigd hetzij rechtstreeks hetzij door vereniging met andere gebouwen zijn onroerend, artikel 3:3 BW en 5:20 BW.(2) Ook onroerend is al wat volgens de verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, dat is een bestanddeel van die onroerende zaak (artikel 3:4 lid 1 BW). Artikel 3:4 lid 2 BW bepaalt vervolgens dat een bestanddeel van de hoofdzaak wordt: een zaak die zodanig is verbonden met de hoofdzaak dat zij daar niet van kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht.

In een casus van de rechtbank Rotterdam van 24 juli 2015 staat de vraag centraal of de zonwering roerend is. Dat dient beoordeeld te worden aan de hand van bovenstaande artikelen.

De kantonrechter oordeelt dat de zaken geen bestanddeel zijn. Enerzijds kan er in rechte niet van worden uitgegaan dat de zonwering niet zonder schade van betekenis kan worden verwijderd. De zonwering is immers eenvoudig van binnenuit te verwijderen door het losschroeven en later terugplaatsen van een afdekplaat. Anderzijds kan niet in rechte worden geoordeeld dat naar de verkeersopvattingen de zonwering onderdeel van de woning uitmaakt. De zonwering en het gebouw zijn niet constructief op elkaar afgestemd en bij het ontbreken van de zonwering is het gebouw niet onvoltooid als woning.

Eigendomsvoorbehoud, beschikkingsonbevoegdheid.

In een ander geval van de rechtbank Rotterdam (wat meer gedateerd) van 14 juli 2010, komt een ander aspect naar voren: het eigendomsvoorbehoud. Er is een klimaatinstallatie geleverd ten behoeve van een groot nieuwbouwproject. In de algemene voorwaarden welke toepasselijk zijn bij deze levering, is een zogenaamd eigendomsvoorbehoud gemaakt. Zakelijk weergegeven betekent dat de eigendom van het product pas overgaat indien de volledige koopsom is voldaan. Dit eigendomsvoorbehoud kan echter worden doorkruist door derdenbescherming van artikel 3:86 BW.  Indien de overdracht anders dan om niet (gratis) geschiedt en de verkrijger te goedertrouw is, werkt het eigendomsvoorbehoud niet.

In deze uitspraak wordt over de goede trouw geen uitspraak gedaan, wel dat de partij die zich op derdenbescherming beroept, dat moet bewijzen.

Vragen die dan relevant zijn of de verkrijger te goedertrouw is, zijn: (1) wist de eigenaar van het gebouw van het eigendomsvoorbehoud? (2) Is het gebruikelijk in de branche een eigendomsvoorbehoud te hanteren? (3) Is de eigenaar van het gebouw op de hoogte was van de financiële toestand van de leverancier van de installatie.

Niet alleen goederenrechtelijke aspecten kunnen bij de genoemde problematiek een rol spelen, ook eigendomsvoorbehoud en daaraan gerelateerde (goede) trouw kunnen effect sorteren.

Voor vragen kunt u contact opnemen met Pieter Schut