KienhuisHoving-Academy KienhuisHoving-Academy
Website
KienhuisHoving-Academy

‘Verlenging’ keten arbeidsovereenkomsten toegestaan?

In het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:668a BW) is bepaald dat – uitzonderingen daargelaten – tussen een werkgever en een werknemer niet meer dan drie keer op rij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd mag worden gesloten, terwijl de totale periode van de keten niet langer dan 36 maanden mag zijn. Wordt een vierde arbeids-overeenkomst afgesloten of is de keten langer dan 36 maanden, dan is sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Werkgevers proberen deze bepaling nog wel eens te omzeilen door bij de vierde arbeidsovereenkomst (voor onbepaalde tijd) tegelijkertijd een beëindigingovereenkomst te voegen waarin is opgenomen dat de vierde arbeidsovereenkomst per een vooraf overeengekomen datum eindigt. Daarbij wordt deze constructie aan de werknemer voorgelegd onder het mom van ‘beter iets dan niets’. Immers, als de werknemer niet instemt zal zijn (derde) arbeidsovereenkomst van rechtswege een einde nemen en staat hij op straat. 

Het Hof Den Bosch (vindplaats: ECLI:NL:GHSHE:2013:3442) heeft zich onlangs uitgelaten over de constructie en heeft in die specifieke situatie bepaald dat het vooraf sluiten van een beëindigingovereenkomst toelaatbaar was. In de (vierde) arbeidsovereenkomst was opgenomen: ‘Partijen hebben betreffende deze arbeidsovereenkomst aanvullende afspraken gemaakt over duur en beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Zie bijlage (vaststellingsovereenkomst).’

In de vaststellingsovereenkomst was opgenomen dat de werkgever aan de werknemer heeft medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst alleen verlengd zou worden indien op voorhand duidelijkheid zou bestaan over de datum waarop de arbeidsovereenkomst zou eindigen, dat de werknemer in eerste instantie wel bezwaren had geuit maar toch had ingestemd omdat hij anders ‘over enige tijd alsnog zijn baan zou verliezen’ en dat de werknemer juridisch advies had ingewonnen. Partijen kwamen overeen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 januari 2012 zou eindigen.

De werknemer startte een procedure aangezien de gesloten vaststellingsovereenkomst volgens hem nietig was wegens strijd met het karakter van artikel 7:668a BW en dat zijn instemming met de vaststellingsovereenkomst tegen zijn wil was afgedwongen. In eerste instantie stelde de kantonrechter de werknemer in het gelijk nu de gekozen constructie enkel en alleen was opgetuigd om (het werknemersbeschermende) artikel 7:668a BW te omzeilen en sprake was van strijd met de openbare orde en/of goede zeden.

De werknemer ging in hoger beroep bij het Hof Den Bosch en het Hof kwam tot een andere conclusie. Ten eerste overweegt het Hof dat artikel 7:668a BW buiten toepassing blijft nu dit artikel ziet op arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, terwijl partijen het erover eens waren dat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Ten tweede wijst het Hof de stelling van de werknemer, dat de overeenkomst in strijd zou zijn met de openbare orde of de goede zeden, van de hand, nu werknemer zijn stelling op dit punt niet of onvoldoende had onderbouwd. Ook de stelling van werknemer dat hij de vaststellingsovereenkomst onder protest heeft getekend, wordt door het Hof verworpen.

De constructie waarbij de vierde arbeidsovereenkomst gepaard met een vaststellingsovereenkomst, om zo de werkgever de zekerheid te bieden dat de arbeidsrelatie op een bepaalde datum eindigt werd in dit geval door het Hof toegestaan. Hoewel dit ten aanzien van toekomstige gevallen geen enkele zekerheid biedt, lijkt men in de rechtspraak toch de mogelijkheid te bieden voor deze constructie.

Marnix Smit

 

Delen op