Uitstoting van een aandeelhouder in kort geding

Geplaatst op 2 september 2022 13:52 door Ilse Ekkel

Het Nederlands recht biedt ruziënde aandeelhouders de mogelijkheid om te scheiden. Dit kan worden bewerkstelligd door middel van de zogenaamde ‘geschillenregeling’. De geschillenregeling kent drie smaken: (i) de uitstotingsprocedure; (ii) de uittredingsprocedure; en (iii) de vordering tot overgang van stemrecht.

Een patstelling tussen twee 50/50 aandeelhouders kan worden doorbroken via de uitstotingsprocedure (artikel 2:336 BW e.v.). Met deze regeling kan een aandeelhouder gedwongen worden uitgekocht, De uitstotingsprocedure kan worden ingesteld indien een aandeelhouder zich schuldig maakt aan wangedragingen die het belang van de vennootschap zodanig schaden dat het voortduren van het aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer kan worden geduld. De enkele onverenigbaarheid van karakters is onvoldoende om van wangedragingen te spreken. Het moet gaan om voortdurende wangedragingen waardoor het functioneren van de onderneming in gevaar wordt gebracht, aangezien de besluitvorming wordt verlamd. In een 50/50 verhouding tussen de aandeelhouders, waarbij de aandeelhouders tevens statutair bestuurder zijn, is het lastig om vast te stellen in welke hoedanigheid een persoon een bepaalde gedraging verricht. Als statutair bestuurder of als aandeelhouder?

De vordering tot uitstoting kan zowel in een bodemprocedure als in een kort geding procedure aanhangig worden gemaakt. Echter, de uitstotingsprocedure is over het algemeen geen eenvoudige procedure om te voeren in kort geding. Doorgaans wordt een verzoek afgewezen, maar inmiddels zijn een aantal vonnissen gewezen waarin uitstoting van een aandeelhouder door de voorzieningenrechter wordt toegewezen. Een sprekend voorbeeld van een geslaagd verzoek tot uitstoting speelde zich begin dit jaar af voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam.[1]

Het geschil

Twee collega’s hebben op enig moment besloten een kinderopvang voor jonge kinderen met een chronische ziekte op te richten. Beide oprichters (hierna: Aandeelhouder 1 en Aandeelhouder 2) houden (indirect) 50% van de aandelen en zijn beide statutair bestuurder van de onderneming waarin de kinderopvang wordt geëxploiteerd. In maart 2022 valt Aandeelhouder 1 uit wegens burn-out gerelateerde klachten. Enkele maanden later blijkt dat de arbeidsongeschiktheid een langdurig karakter heeft. Er is sprake van belet en bestuursbesluiten kunnen in afwezigheid van Aandeelhouder 1 niet worden genomen. De algemene vergadering neemt een aandeelhoudersbesluit waarin Aandeelhouder 1 als statutair bestuurder wordt ontslagen. Tijdens een overleg met de Raad van Toezicht (hierna: RvT) in het kader van de re-integratie blijkt dat Aandeelhouder 1 heeft aangegeven dat zij niet in dezelfde functie moet terugkeren, aangezien die werkzaamheden deels hebben bijgedragen aan haar arbeidsongeschiktheid. Twee weken later komt ze terug op deze uitspraak. Met “andere functie” bedoelde ze een ander takenpakket binnen haar bestuursfunctie. Ze eist een terugkeer in haar voormalige functie van statutair bestuurder. Door de RvT en enkele locatiemanagers is daarentegen geconstateerd dat de onderneming floreert in afwezigheid van Aandeelhouder 1 en dat zij haar bestuurstaak niet naar behoren heeft vervuld, althans niet geschikt was om leiding te geven. Gesprekken werden niet voorbereid en in haar communicatie liet zij zich leiden door emotie en impulsie. Inmiddels verhardt de verstandhouding tussen Aandeelhouder 1, Aandeelhouder 2 en de RvT. Aandeelhouder 1 stelt als harde voorwaarde voor haar terugkeer dat zij wederom wordt benoemd tot statutair bestuurder. Daarnaast dreigt zij diverse betrokkenen aansprakelijk te stellen, zoals de locatiemanagers op grond van goed werknemerschap en de accountant wegens partijdigheid. Tot slot heeft zij het vertrouwen in de RvT opgezegd.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de gedragingen van een aandeelhouder worden ingekleurd door het functioneren als statutair bestuurder. De handelwijze van Aandeelhouder 1 is uitsluitend gericht op de terugkeer als statutair bestuurder. De verhouding tussen partijen is ernstig verstoord. Doordat de besluitvorming lam ligt, dient Aandeelhouder 1 het veld te ruimen ten bate van Aandeelhouder 2. De rechter wijst de vordering tot uitstoting toe.

Het komt niet vaak voor dat de uitstoting van een aandeelhouder in kort geding wordt toegewezen. Slechts onder uitzonderlijke omstandigheden is een gedwongen overdracht van aandelen in kort geding mogelijk. De continuïteit van de vennootschap moet op zeer korte termijn worden bedreigd. Het spoedeisend belang wordt van doorslaggevend belang geacht.[2] In onderhavige zaak oordeelt de voorzieningenrechter dat sprake is van spoedeisend belang omdat aandeelhoudersbesluiten met voldoende voortvarendheid genomen moeten kunnen worden. Kennelijk vond de voorzieningenrechter dat een bodemprocedure niet kon worden afgewacht en dat Aandeelhouder 1 haar aandelen daarom nu al moest aanbieden aan Aandeelhouder 2.

Tot slot

Het is belangrijk om te beseffen dat de functie van statutair bestuurder en het aandeelhouderschap niet zuiver gescheiden worden. Gedragingen in hoedanigheid van bestuurder kunnen de vennootschap zodanig schaden dat de bestuurder zijn aandelen gedwongen moet overdragen. Daarnaast lijkt de voorzieningenrechter met deze uitspraak een pad te bewandelen dat ertoe leidt dat uitstoting sneller kan worden toegewezen via een voorlopige voorziening.

Mocht u vragen hebben over de geschillenregeling, dan kunt u uiteraard contact met ons opnemen.

 

[1] Rechtbank Amsterdam 10 februari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:645.

[2] Zie bijvoorbeeld Rechtbank Midden-Nederland 20 mei 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:4066.