Tuchtklacht (bedrijfs)arts: verweer je, maar stel je ook toetsbaar op!

Natuurlijk hoopt niemand ooit een tuchtklacht te krijgen. Toch worden er gemiddeld per jaar zo’n 1600 tuchtklachten ingediend. Een tuchtklacht kan elke (BIG-geregistreerde) arts of zorgverlener overkomen. Dat geldt ook voor de bedrijfsarts, zo blijkt onder meer uit een recente uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag (CTG) d.d. 9 juli jl.

Maar waar heeft een (bedrijfs)arts in een tuchtprocedure rekening mee te houden wanneer een tuchtklacht wordt ingediend? In deze blog wordt daar aan de hand van tuchtrechtspraak verder op ingegaan. 

Tuchtrecht in de gezondheidszorg

In eerdere blogs en in een eerder opgenomen podcast is de tuchtprocedure voor (BIG-geregistreerde) zorgverleners (meer specifiek de bedrijfsarts) al aan de orde gekomen. Kort samengevat, houdt het tuchtrecht in de gezondheidszorg een bijzondere vorm van rechtspraak in, waarbij het tuchtcollege beoordeelt of een (bedrijfs)arts of andere zorgverlener heeft gewerkt volgens de geldende professionele standaard. Het tuchtrecht is bedoeld om de kwaliteit van de beroepsuitoefening te bevorderen en te bewaken.

Het CTG oordeelt in hoger beroep over medische tuchtzaken. In een hoger beroep procedure staat een oordeel van één van de Regionale Tuchtcolleges voor de gezondheidszorg (RTG) ter discussie. Het hoger beroep heeft primair tot doel, dat de tuchtklacht alsnog ongegrond wordt verklaard, subsidiair dat het opleggen van een maatregel achterwege blijft en meest subsidiair dat aan de bedrijfsarts een lichtere maatregel wordt opgelegd.

Tuchtklacht bedrijfsarts: een recente tuchtprocedure

Een tuchtklacht tegen een bedrijfsarts, kan worden ingediend door onder meer een werknemer, een werkgever of een andere belanghebbende. Een recente tuchtprocedure in hoger beroep tegen een bedrijfsarts (hierna: ‘beklaagde bedrijfsarts’) is, zoals hiervoor genoemd,  van 9 juli jl. Bij beslissing van 13 oktober 2020 heeft het RTG de tuchtklacht van een patiënt gegrond verklaard. Deze gegrondverklaring houdt voor de beklaagde bedrijfsarts in deze instantie in, dat de maatregel van een berisping is opgelegd en daarvan aantekening wordt gemaakt in het BIG-register. De beklaagde bedrijfsarts is tegen de beslissing van het RTG vervolgens in hoger beroep gegaan. Om in te gaan op waar een (bedrijfs)arts in een tuchtprocedure rekening mee moet houden, wordt eerst de kwestie voor het RTG en CTG nader toegelicht.

- Wat is de aanleiding van de tuchtklacht, ingediend door de betrokken patiënt?
Vanaf 2017 is de betrokken patiënt werkzaam voor 24 uur en vanaf 1 januari 2018 – gedurende een jaar – voor 32 uur. Vanaf 27 maart 2018 is de patiënt langdurig uitgevallen voor haar werk wegens ziekte. Vanaf 1 januari 2019 kwam de uitbereiding van het contract met acht uur van rechtswege te vervallen. Vanaf dit moment zijn er twee bedrijfsartsen betrokken bij het ziekteverzuim: een bedrijfsarts voor de 24 uur van de ‘normale’ arbeidsovereenkomst (hierna: ‘ de eerste bedrijfsarts’) en de beklaagde bedrijfsarts voor de 8 uur Ziektewetuitkering. Op 4 maart 2019 bezocht de patiënt de eerste bedrijfsarts, volgens wie klaagster nog 100% arbeidsongeschikt was. In dezelfde maand vond door het UWV de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling plaats. De uitkomst was dat de Ziektewetuitkering ongewijzigd bleef.

Op 28 maart 2019 bezocht de patiënt vervolgens de beklaagde bedrijfsarts. De beklaagde bedrijfsarts schreef na afloop in het dossier, dat hij aan de patiënt heeft uitgelegd “grote moeite te hebben met de situatie”. De beklaagde bedrijfsarts was van mening, dat de patiënt geen aanspraak behoorde te maken op loondoorbetaling onder de Ziektewet, omdat zonder arbeidsongeschiktheid zij ook geen aanspraak meer zou kunnen maken op loon, nu de uitbreiding van het aantal uren van haar contract was verlopen. De beklaagde bedrijfsarts schreef daarom ook, dat hij “met tegenzin” vier weken uitstel gaf. De beklaagde bedrijfsarts meldde de patiënt vanaf 29 april 2019 hersteld voor de acht uur. In april 2019 is de patiënt gestart met een burn-outtraject bij het Universitair Psychiatrisch Centrum. Op 2 mei 2019 bezocht patiënt de beklaagde bedrijfsarts weer. De beklaagde bedrijfsarts zei dat hij de patiënt per 6 mei 2019 voor vier uur hersteld zou verklaren en per 9 mei 2019 voor acht uur. Hij zei dat hij andere patiënten, die hij ook hersteld heeft verklaard, het niet zou kunnen uitleggen als hij klaagster niet hersteld zou verklaren. Na afloop van het consult belde de beklaagde bedrijfsarts de betreffende patiënt op om te zeggen, dat hij haar toch al voor acht uur hersteld zou melden. De eerste bedrijfsarts acht de patiënt echter nog steeds volledig arbeidsongeschikt. Als gevolg van de hersteldmelding van de patiënt werd op 9 mei 2020 de Ziektewetuitkering stopgezet. De patiënt heeft daartegen bezwaar ingesteld. Haar bezwaarschrift werd gegrond verklaard en de Ziektewetuitkering werd hersteld.

- Wat houdt de tuchtklacht van de patiënt in?
De tuchtklacht houdt, kort samengevat, het volgende in. De patiënt vindt allereerst (klachtonderdeel I), dat zij op 2 mei 2019 tijdens het consult en later tijdens het telefoongesprek met de beklaagde bedrijfsarts, onbehoorlijk en denigrerend is bejegend. Ten tweede (klachtonderdeel II) vindt de patiënt, dat de beklaagde bedrijfsarts heeft verzuimd (medische) informatie op te vragen bij de behandelaars van de patiënt, zoals bij de eerste bedrijfsarts en over de stand van zaken betreffende het burn-outprogramma. Voorts heeft de beklaagde bedrijfsarts volgens de patiënt ten onrechte voorgehouden dat alleen de weg naar het UWV openstond als zij het niet eens zou zijn met zijn advies. Hij heeft volgens de patiënt ten onrechte niet gezegd, dat er ook nog een second opinion gevraagd kon worden. De ‘second opinion’-adviezen die al voorhanden waren, onder andere van de eerste bedrijfsarts, zou hij ten onrechte terzijde hebben gelegd.

- Hoe verweert de beklaagde bedrijfsarts zich?
De beklaagde bedrijfsarts verweert zich als volgt. Hij is van mening, dat hij nooit de patiënt onbehoorlijk dan wel denigrerend heeft bejegend. Bovendien heeft de beklaagde bedrijfsarts op basis van alle beschikbare gegevens en zijn eigen bevindingen advies kunnen uitbrengen en hij wist al dat de andere behandelaars een andere mening waren toegedaan. Hij gunde de anderen hun eigen gedachtengoed en had het “niet netjes” van zichzelf gevonden als er een discussie was ontstaan. Het was dus, volgens de beklaagde bedrijfsarts, niet nodig om andere behandelaars te raadplegen. De beklaagde bedrijfsarts erkent wel, dat hij niet op de hoogte was van de bepaling uit het ziek-uit-dienstreglement binnen zijn arbo-organisatie, inhoudende dat alvorens bezwaar te maken bij het UWV, ook een second opinion kon worden gevraagd.

- Hoe oordelen de twee tuchtcolleges (RTG en CTG)?
Het CTG komt over het handelen van de beklaagde bedrijfsarts tot dezelfde constateringen als het RTG in eerste instantie. Het CTG neemt datgene wat het RTG heeft overwogen over. Het oordeel luidt, kort samengevat, als volgt.  

De beklaagde bedrijfsarts heeft zich met zijn uitlatingen jegens de patiënt niet gedragen, zoals van een redelijk bekwaam handelend bedrijfsarts verwacht mocht worden. Het is de onterechte opvatting van de beklaagde bedrijfsarts, dat aanspraak op doorbetaling van loon tijdens ziekte wordt gemaakt als – de arbeidsongeschiktheid weggedacht – er geen arbeidsovereenkomst meer zou gelden. De herhaalde opmerking “Ik heb hier grote moeite mee” is een weerslag van die persoonlijke opvatting, die niet strookt met de geldende wet- en regelgeving. Daarvan gaat ook een ‘chilling effect’ uit: een gerechtvaardigde aanspraak wordt ontmoedigd. De tuchtcolleges achten vervolgens de redenering, met betrekking tot waarom geen andere behandelaar(s) is/zijn geraadpleegd om te overleggen, onbegrijpelijk. Het feit, dat er sprake was van verschillende visies zou juist aanleiding moeten zijn voor collegiaal overleg om in ieder geval een uitwisseling van standpunten te hebben en het eigen oordeel te toetsen. Het getuigt volgens de tuchtcolleges niet van een professionele opstelling. De beklaagde bedrijfsarts is te zeer op zijn eigen bevindingen afgegaan en heeft aan factoren die toch noopten tot nader onderzoek en een toetsing van zijn oordeel onvoldoende betekenis toegekend. Daarnaast behoorde hij ook te weten welke mogelijkheden er waren voor het aanvragen van een second opinion binnen de eigen arbo-organisatie, voorafgaand aan het UWV-traject. Al met al bestaat er voor de tuchtcolleges voldoende aanleiding voor het oordeel dat de beklaagde bedrijfsarts zich schuldig heeft gemaakt aan onprofessioneel medisch handelen jegens de patiënt.

Aan het oordeel van het RTG voegt het CTG nog toe, dat de manier van redeneren in combinatie met (het ontbreken van) de zelfreflectie door de beklaagde bedrijfsarts de kaders van wat verwacht mag worden van een redelijk handelend en redelijk bekwaam bedrijfsarts ver te buiten is gegaan.

Zoals genoemd, heeft het RTG de beklaagde bedrijfsarts de maatregel van berispring (en openbaarmaking daarvan) opgelegd. Het CTG is echter van oordeel, dat de maatregel van berispring niet adequaat is en dat het passend en geboden is de beklaagde bedrijfsarts de zwaarste tuchtmaatregel op te leggen, te weten de maatregel van doorhaling c.q. ontzegging van het recht om weer in het BIG-register te worden ingeschreven.

- Verschil in strafmaat tuchtcolleges
Het RTG en het CTG leggen in deze kwestie een andere strafmaat aan. De motivatie van het CTG daartoe is als volgt. De beklaagde bedrijfsarts is ernstig tekortgeschoten in de zorgvuldigheid die van hem mag worden verwacht rondom de verzuimbegeleiding. Volgens het CTG is niet gebleken, dat de onzorgvuldigheid van zijn handelen inmiddels tot de beklaagde bedrijfsarts is doorgedrongen. Integendeel, de beklaagde bedrijfsarts is er volgens het CTG nog steeds van overtuigd, dat hij volstrekt correct gehandeld heeft en in het geheel niet ontvankelijk is voor feedback. Van toetsbaar opstellen is geen sprake. De beklaagde bedrijfsarts is door het CTG herhaaldelijk bevraagd op zijn reflectieve proces naar aanleiding van de beslissing van het RTG en hoe deze beslissing zijn handelen heeft beïnvloed. Hierop heeft de beklaagde bedrijfsarts onder meer aangegeven, dat hij deze casus bewust niet in zijn intervisiegroep heeft ingebracht of met een beroepsgenoot buiten zijn intervisiegroep heeft besproken. Bovendien heeft deze beslissing zijn handelen op geen enkele wijze beïnvloed. In reactie op vragen van het CTG over hoe de bedrijfsarts zijn meer of minder nabije toekomst ziet, heeft de bedrijfsarts laten zien dat hij geen inzicht heeft in zijn eigen functioneren. Net als het RTG baart dit het CTG ernstige zorgen met het oog op het handelen van de beklaagde bedrijfsarts in de toekomst.

Het CTG realiseert zich, dat voor soortgelijke verwijten die de beklaagde bedrijfsarts worden gemaakt doorgaans geen doorhaling wordt opgelegd. Het CTG is echter van oordeel dat de veiligheid van (arbeidsongeschikte) patiënten/werknemers die zich vaak in een kwetsbare positie bevinden, gelet op de houding van de beklaagde bedrijfsarts, deze maatregel nu wel vraagt. De onbehoorlijke bejegening, het medisch onprofessionele handelen tezamen met de proceshouding van de beklaagde bedrijfsarts en de indruk die hij heeft achtergelaten, maken dat het CTG ter bescherming van de hiervoor genoemde veiligheid, de nader te noemen maatregel passend en geboden acht.

Conclusie

De tuchtuitspraak van 9 juli jl. geeft inzicht in hoe het tuchtcollege (zowel het RTG als het CTG) omgaat met een ingediende tuchtklacht en de opstelling van de (BIG-geregistreerde) zorgverlener in dat verband. Een tip om goed te benadrukken is: verweer je uiteraard, maar stel je vooral ook toetsbaar op in een tuchtzaak. Zelfreflectie kan in voorliggende gevallen van groot belang zijn. Tegelijkertijd is het wel bijzonder, dat het CTG een andere strafmaat in een specifieke kwestie kan aanleggen, dan het RTG (en vice versa) wanneer er in hoger beroep wordt gegaan.

Mocht u vragen hebben over het tuchtrecht in het algemeen of naar aanleiding van deze blog, neemt u gerust contact op met Astrid Kiewiet