KienhuisHoving-Academy KienhuisHoving-Academy
Website
KienhuisHoving-Academy

Sluitingsbevoegdheid drugspanden

Burgemeesters hebben meer bevoegdheden gekregen om drugspanden te sluiten door een wijziging van de Opiumwet. Welke gevolgen heeft deze uitbreiding voor verhuurders? Verhuurders, waaronder woningcorporaties, worden immers steeds meer geconfronteerd met drugshandel en/of hennepteelt in woningen en panden.

Uitbreiding

Het huidige artikel 13b van de Opiumwet geeft de burgemeester alleen sluitingsbevoegdheid wanneer drugs in een woning of pand worden verkocht, afgeleverd, verstrekt of aanwezig zijn. Met de wijziging wordt deze sluitingsbevoegdheid ook toegekend in gevallen waarin in een woning of pand voorwerpen of stoffen worden aangetroffen die duidelijk bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs. Hierbij kan gedacht worden aan apparatuur, chemicaliën en versnijdingsmiddelen.

Het criterium is dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het om strafbare voorbereidingshandelingen gaat. Deze afweging kan onder meer gebaseerd worden op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld, de situatie die ter plekke aangetroffen wordt en de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stoffen en voorwerpen. De nieuwe strekking van artikel 13b van de Opiumwet heeft geen betrekking op aangetroffen vervoersmiddelen, gelden of andere betaalmiddelen. Aangetroffen vervoersmiddelen, gelden of andere betaalmiddelen kunnen wel meespelen bij het uiteindelijke oordeel dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat er sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen.

Buitengerechtelijke ontbinding

Als een huurder wanpresteert kan op grond van de wet in beginsel alleen maar tot ontbinding van een huurovereenkomst door een verhuurder worden overgegaan door tussenkomst van de rechter.[1]

Ontbinding door een verhuurder zonder tussenkomst van de rechter (‘buitengerechtelijke ontbinding’) is in twee gevallen wel toegestaan. Ten eerste is dit het geval wanneer er sprake is van een gebrek aan het gehuurde dat de verhuurder ingevolge artikel 7:206 van het Burgerlijk Wetboek niet verplicht is te verhelpen en dat zodanig is dat dit gebrek het genot dat de huurder mocht verwachten geheel onmogelijk maakt. Ten tweede is buitengerechtelijke ontbinding mogelijk wanneer de gedragingen van de huurder in het gehuurde de openbare orde hebben verstoord en de burgemeester daarom sluiting van het gehuurde heeft bevolen.[2]

Gevolgen

De wijziging van artikel 13b van de Opiumwet geeft een verruimde bevoegdheid aan de burgemeester om tot sluiting van een drugspand over te gaan. Indirect brengt dit met zich mee dat er ook een verruiming van de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding door verhuurders plaatsvindt op grond van de tweede genoemde ontbindingsmogelijkheid.[3] Dit bespaart een verhuurder geld en tijd. Hierbij dient wel in het achterhoofd te worden gehouden dat een belangenafweging mogelijk plaats dient te vinden, waarbij de maatstaven van redelijkheid en billijkheid een rol spelen.

Op zich is het voor een verhuurder voordelig dat deze een huurovereenkomst buitengerechtelijk kan ontbinden. Er moet alleen wel rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat een huurder ondanks de buitengerechtelijke ontbinding de woning of het pand niet wil verlaten. De woning of het pand moet in een dergelijk geval ontruimd worden. Om tot deze ontruiming over te gaan, is de tussenkomst van de rechter alsnog nodig. De rechter zal dan gaan kijken of de buitengerechtelijke ontbinding gerechtvaardigd is en zal zo dit het geval is een ontruimingstermijn bepalen. Zolang de woning of het pand gesloten is, kan de huurder de woning of het pand niet betreden en kan deze dus ook niet tot ontruiming overgaan. Hierdoor kan een lange ontruimingstermijn uitgesproken worden.  Zo heeft de Rechtbank Oost-Brabant een uitspraak gewezen waarin een ontruimingstermijn van 5 maanden na de datum van de uitspraak is aangehouden in verband met de sluiting van een woonwagen.[4]

Meer weten? Bel mij gerust!

[1] Artikel 7:231 lid 1 BW.