Schorsing van een bestuurder

In dit blog staat de schorsing van een bestuurder centraal. Recentelijk heeft de Ondernemingskamer op verzoek van de advocaat-generaal namens het Openbaar Ministerie de bestuurder Sanderink van Centric geschorst. Schorsing van een bestuurder kan echter ook aan de gewone rechter worden gevraagd. Bij welke rechterlijke instantie moet je eigenlijk zijn?

Bevoegdheid tot schorsing

Iedere bestuurder kan te allen tijde kan worden geschorst door degene die bevoegd is tot benoeming (art. 2: 134/244 lid 1 BW). Veelal is dat (bij een gewone vennootschap) de algemene vergadering van aandeelhouders. De gewone rechter (in een bodemprocedure) is dan bevoegd om een schorsingsbesluit te vernietigen ex art. 2: 15 lid 1 sub b BW.

De Ondernemingskamer van het Hof Amsterdam kan op grond van art. 2:349a BW bestuurders op verzoek van enquêtegerechtigden schorsen in het kader van een enquêteprocedure. Over de vraag wie enquêtegerechtigd is en over het verloop van een enquêteprocedure, schreef ik eerder een tweetal blogs.

De Voorzieningenrechter in een kort geding kan ook een bestuurder schorsen, althans voor zover het gaat over een vordering van een belanghebbende tot schorsing van een bestuurder.

Ondernemingskamer versus Voorzieningenrechter

In beginsel is schorsing, zo is de algemene opvatting, voorbehouden aan de Ondernemingskamer. Het hoofddoel van de enquêteprocedure is immers dat de Ondernemingskamer orde op zaken stelt door in te grijpen bij de onderneming. Dit alles vanuit het belang van de vennootschap en de aan haar verbonden onderneming. De Ondernemingskamer gaat als ‘bodemrechter’ over de schorsing en het eventuele daarop volgende ontslag (als definitieve voorziening) van de bestuurder van een vennootschap (art. 2: 355 jo. 2:356 sub b BW). Gevolg daarvan is dat de Voorzieningenrechters veelal geen uitspraken willen (of durven) doen die op gespannen voet staan met de uitspraken van de Ondernemingskamer.

Dit uit zich in de praktijk enerzijds doordat Voorzieningenrechters een koppeling maken van de schorsing als voorziening aan een aanhangig te maken enquêteprocedure. Bijvoorbeeld door te oordelen dat de schorsing komt te vervallen als er geen enquêteprocedure aanhangig wordt gemaakt bij de Ondernemingskamer. Anderzijds passen Voorzieningenrechters volgens recente rechtspraak dezelfde maatstaf toe bij schorsing als die van de Ondernemingskamer. Kort gezegd, zijn er gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken binnen de vennootschap te twijfelen, dan is er een bevoegdheid tot schorsing.

In de jurisprudentie van de Ondernemingskamer gaat het dan vervolgens in de kern er om of de ordemaatregel in het belang is van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Immers, op grond van art. 2: 349a lid 2 BW kan de Ondernemingskamer een onmiddellijke voorziening treffen indien deze vereist is ‘gelet op de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken’ ‘in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek’.

Voorzieningenrechters zijn terughoudend in het opleggen van schorsing als voorziening. Maar de Ondernemingskamer is ook terughoudend om een bestuurder te schorsen aangezien de Ondernemingskamer naast een afweging tussen het doel van de enquête en de aard van het geschil ook ruimte moet laten aan de onderneming en pas bij twijfel aan de juistheid van het beleid moet ingrijpen. Een gegronde reden (in de zin van art. 2:349a lid 3 BW/2:350 lid 1 BW) acht de Ondernemingskamer geregeld aanwezig in het geval sprake is van een impasse tussen aandeelhouders en/of bestuurders, waarbij de continuïteit van de onderneming in het geding is.

Toetsing

De toets voor de Ondernemingskamer bij schorsing is een andere dan die van de Voorzieningenrechter. De Ondernemingskamer toetst of een onmiddellijke voorziening “gelet op de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken is vereist in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek” (art. 2:349a lid 2 BW). De toets voor de Voorzieningenrechter is of “gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist” (art. 254 Rv, cursief MK). De uitkomst van de belangenafweging van de Voorzieningenrechter kan een andere zijn dan die van de Ondernemingskamer. Het schaden van de belangen van de vennootschap hoeft geen belang van de eisende partij te zijn in een kort geding.

Schorsing bestuurder Centric

Terughoudend was de Ondernemingskamer op 3 november jl. bepaald niet. De Ondernemingskamer schorste met onmiddellijke ingang de bestuurder van het IT-bedrijf Centric, Sanderink, die het bedrijf zelf heeft opgericht en groot gemaakt. Centric heeft 2500 medewerkers en grote publieke instellingen en overheidsdiensten als klant zoals De Nederlandsche Bank en de Bank Nederlandse Gemeenten.

Wat was er aan de hand? Het Openbaar Ministerie had op 24 oktober 2022 een verzoekschrift ingediend bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam met het verzoek een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Centric Holding B.V., Centric Netherlands Holding B.V, en Centric Netherlands B.V. (“Centric”) Ook was de Ondernemingskamer verzocht om een aantal de volgende onmiddellijke voorzieningen te treffen, waaronder de schorsing van Sanderink als bestuurder van Centric Holding B.V., de benoeming van een tijdelijke bestuurder en tijdelijke overdracht van de aandelen van Sanderink.

Het Openbaar Ministerie ging hiertoe over omdat uit een verkennend onderzoek naar het beleid in Centric naar voren kwam dat de voortdurende vermenging van de privéruzie van Sanderink met zijn ex-vriendin, die ook in dienst was van Centric, niet alleen de belangen van Centric schaadt maar ook het openbaar belang. Het bedrijf is verliesgevend, de banken willen Centric niet meer als klant, er is een enorme uitloop van personeel en ook grote klanten zijn weggelopen.

De Ondernemingskamer oordeelde dan ook dat het handelen van Sanderink een acute bedreiging vormt voor het voortbestaan van Centric en dat ook het openbare belang wordt geschaad, nu de banen van 2500 medewerkers op het spel worden gezet. Ook zijn er volgens de Ondernemingskamer grote zorgen over de door Centric beheerde vitale IT-systemen voor publieke en semipublieke instellingen. Daar komt bij dat belangrijke banken geen zaken meer willen doen met Centric. Al deze omstandigheden vergen volgens de Ondernemingskamer drastisch ingrijpen.

Een unieke uitspraak, nu het zelden voorkomt dat de Ondernemingskamer op verzoek van het Openbaar Ministerie ingrijpt bij een onderneming. De schriftelijke uitspraak van de Ondernemingskamer wordt op korte termijn verwacht. Ik houd u op de hoogte.

Vragen

Heeft u vragen over de schorsing van een bestuurder, neem dan contact op met Marjan Koelemeijer (marjan.koelemeijer@kienhuishoving.nl) of met één van de andere ondernemingsrecht advocaten.