Relatie tussen de herziening en een veegplan

In de gemeente Nijkerk had de gemeenteraad op 30 mei 2017 een herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ vastgesteld. Tegen het besluit tot vaststelling van deze herziening kwam een aantal appellanten van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op.

In de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2019 heeft hij een deel van het bestemmingsplan vernietigd. De Afdeling bepaalde daarbij dat een nieuw besluit tot vaststelling moest worden genomen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

De gemeenteraad van Nijkerk nam op 27 mei 2019 een nieuw besluit waarbij het gebrek aan het bestemmingsplan werd gerepareerd. In diezelfde vergadering stelde de gemeenteraad echter ook nog een veegplan voor het buitengebied vast. In het veegplan werden tal van kleine gebreken in het moederplan van 30 mei 2017 gerepareerd. 

Beroepsgrond

In beroep werden door de appellanten geen gronden gericht tegen de reparatie, maar wel tegen het veegplan. De appellanten betwijfelen of de herziening van toepassing is na het vaststellen van het veegplan. Immers na de vaststelling van de herziening heeft de raad, tijdens dezelfde raadsvergadering, het veegplan vastgesteld, waarin de wijzigingen die bij de herziening zijn vastgesteld, niet zijn opgenomen.

Verweer

De gemeenteraad stelde dat de van toepassing verklaring van het oorspronkelijke plan in artikel 37, lid 37.1, van het veegplan ook de herziening omvat. In dit verband wijst de raad erop dat de herziening is vastgesteld in het kader van de bestuurlijke lus en daarom onlosmakelijk verbonden is met het oorspronkelijke plan en daarom geacht moet worden daar onderdeel van uit te maken.

Oordeel Afdeling

De Afdeling oordeelt in zijn uitspraak van 13 mei 2020 dat het veegplan het op 27 mei 2017 (dit moet zijn 27 mei 2019) laatst vastgestelde plan is. Artikel 37, lid 37.1, van de planregels van het veegplan bepaalt dat het oorspronkelijke plan van toepassing is in combinatie met de wijzigingen uit het veegplan. De wijzigingen in de herziening worden hier niet genoemd. Naar het oordeel van de Afdeling betekent dit dat in het veegplan geen betekenis toekomt aan de herziening. De redenering van de raad dat de herziening is vastgesteld in het kader van de bestuurlijke lus en daarom onlosmakelijk verbonden is met het oorspronkelijke plan en de van toepassing verklaring van het oorspronkelijke plan in artikel 37, lid 37.1, van het veegplan dus ook de herziening omvat, volgt de Afdeling niet. De herziening bevat een van het oorspronkelijke plan afwijkend nieuw besluit. De Afdeling kan dit niet anders zien dan als een zelfstandig besluit in de zin van de Awb. Dat in de wet is voorzien in een bijzondere processuele regeling voor een besluit als dit doet hieraan niet af. Ook al strekt de herziening ertoe het oorspronkelijke besluit te wijzigen, het blijven twee op zichzelf staande besluiten. Verwijzing naar het oorspronkelijke besluit impliceert daarom niet automatisch ook een verwijzing naar de herziening.

In wat [appellante sub 1] en Q-Tronic en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het veegplan is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, voor zover het herstel van de onder 2.1 tot en met 2.3 genoemde gebreken in de herziening daarin ongedaan gemaakt is. 

Conclusie

Uit deze uitspraak blijkt nog maar eens dat de vaststelling van een bestemmingsplan en veegplan afzonderlijke besluiten zijn. Wanneer de gemeenteraad in die plannen ook andere plannen van toepassing wil verklaren, dan moet dat expliciet uit de voorschriften van die plannen blijken. Is dat niet het geval, dan ontstaat het risico dat planvoorschriften niet van toepassing zijn.

Erik Averdijk
06 11 31 72 60
erik.averdijk@kienhuishoving.nl