KienhuisHoving-Academy KienhuisHoving-Academy
Website
KienhuisHoving-Academy

Pensioenuitvoerders moeten instemming met uitruil partnerpensioen controleren én bewijzen

Op 18 november 2014 heeft het hof ‘s Gravenhage een arrest gewezen over de zorgplicht van pensioenuitvoerders (pensioenfondsen en verzekeraars) bij de uitruil van partnerpensioen voor extra ouderdomspensioen. Het hof oordeelde – kort gezegd – dat de pensioenuitvoerder moet controleren of (en later kunnen bewijzen dat) de partner bereid is om in te stemmen met de uitruilkeuze van de deelnemer.

Op grond van de Pensioenwet (art. 60 lid 6) is de instemming van de partner vereist voordat tot uitruil van partnerpensioen kan worden overgegaan. Ook in de Pensioen- en spaarfondsenwet (art. 2b lid 4) gold deze instemmings-eis al.

De casus
In de zaak waarover het hof ‘s Gravenhage moest oordelen (zie arrest) was bij de pensioenuitvoerder (in casu Nationale Nederlanden) een formulier binnengekomen waarmee het gehele partnerpensioen werd uitgeruild voor een hoger ouderdomspensioen. Op het formulier stonden – als teken van instemming met de uitruil – twee handtekeningen: één bij de naam van de deelnemer en één bij de naam van de partner. Na het overlijden van de deelnemer stelde de weduwe echter dat haar overleden echtgenoot haar handtekening had vervalst op het uitruil-formulier en dat Nationale Nederlanden had moeten controleren of zij inderdaad instemde met de uitruil.

De uitspraak
Het hof ging in de redenering van de weduwe mee. Onder verwijzing naar een passage uit de wetsgeschiedenis besliste het hof – kort gezegd – dat de pensioenuitvoerder een zelfstandige zorgplicht heeft, die inhoudt dat de pensioenuitvoerder moet controleren of de partner bereid is om in te stemmen met de uitruilkeuze. Maar met de verplichting om te controleren houdt het niet op. Het hof vindt namelijk ook dat de pensioenuitvoerder moet bewijzen dat de partner daadwerkelijk heeft ingestemd met de uitruil.

Gevolgen
Vanuit oogpunt van klantvriendelijkheid en efficiëntie zijn er maar weinig pensioenuitvoerders die voor een uitruil meer vragen dan een door beide partners ondertekend formulier. Daarmee zal het nu wel zijn gedaan. Het risico dat later alsnog partnerpensioen wordt geclaimd, terwijl het voor de pensioenuitvoerder nauwelijks mogelijk zal zijn om aan te tonen dat de partner heeft ingestemd met de uitruil van partnerpensioen, is veel te groot. Pensioenuitvoerders zullen dus aanvullende eisen gaan stellen zoals bijvoorbeeld het laten legaliseren van de handtekening(en) bij de notaris.

De vraag is echter of dat voldoende is. Want een controle op een handtekening betekent alleen maar dat er zekerheid bestaat over de persoon die heeft ondertekend, maar niet of die persoon ook daadwerkelijk wist waarvoor hij/zij tekende en of hij/zij de gevolgen daarvan ook daadwerkelijk wilde. En hoewel het arrest van het hof ’s Gravenhage op dit punt niet heel duidelijk is, lijkt het er wel op dat het hof vindt dat pensioenuitvoerders ook moeten controleren of (en later kunnen bewijzen dat) bij de partner wil en verklaring ten aanzien van de uitruil overeenstemmen. Mogelijk kan dit laatste aspect ondervangen worden door adequate informatievoorziening over de gevolgen van uitruil op het aanvraagformulier zelf.

En nu?
Pensioenuitvoerders kunnen (en zullen) voor de toekomst anticiperen op dit arrest door aanvullende eisen aan een uitruilverzoek te stellen. Maar voor de reeds uitgevoerde verzoeken om uitruil kan dat niet meer. Daarin schuilt voor pensioenuitvoerders een groot risico, zoals Nationale Nederlanden nu aan de lijve ondervindt.

Juist vanwege dit risico zou cassatie bij de Hoge Raad in de rede kunnen liggen. Of er inderdaad cassatie ingesteld gaat worden is nu echter nog niet duidelijk.

 

Delen op