Opvolgend werkgeverschap na ambtelijke aanstelling. Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd?

Een werknemer heeft in de periode 2005 tot 2008 op detacheringsbasis vanuit het UMCU gewerkt voor Sciencia. De werknemer was bij het UMCU werkzaam op basis van een ambtelijke aanstelling.

Een werknemer heeft in de periode 2005 tot 2008 op detacheringsbasis vanuit het UMCU gewerkt voor Sciencia. De werknemer was bij het UMCU werkzaam op basis van een ambtelijke aanstelling. In 2008 is de werknemer bij hogeschool Saxion in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van één jaar. Na ommekomst van deze arbeidsovereenkomst is de arbeidsovereenkomst verlengd tot medio 2009, waarna Saxion de werknemer heeft bericht dat de arbeidsovereenkomst niet meer zou worden verlengd. De werknemer stelt dat op grond van artikel 7:668a BW inmiddels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt en vordert in rechte loondoorbetaling. De kantonrechter dient te beoordelen of sprake is van opvolgend werkgeverschap in de zin van artikel 7:668a BW. Artikel 7:668a BW is van toepassing op arbeidsovereenkomsten, niet op ambtelijke aanstellingen. Artikel 7:615 BW sluit immers de toepasselijkheid van Titel 7 Boek 10 BW op ambtelijke aanstellingen uit.

 De kantonrechter oordeelt dat het uitgangspunt van artikel 7:668a BW is de werknemer te beschermen tegen verschillende ‘flexibele’ arbeidsconstructies. Nu de werknemer bij verschillende werkgevers werkzaam is geweest die redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn ten aanzien van de verrichte arbeid, kan de werknemer zich met succes beroepen op artikel 7:668a BW. Dit betekent dat de werknemer inmiddels een arbeidsovereenkomst heeft voor onbepaalde tijd. Vervolgens matigt de kantonrechter de loonvordering van de werknemer ambtshalve.

Vindplaats: Ktr. Enschede 3 januari 2012, LJN: BV0155; RAR 2012, 43.

 Deze uitspraak van de kantonrechter is kritisch ontvangen in de literatuur. Immers is op grond van artikel 7:615 BW de werking van boek 7, titel 10 BW uitdrukkelijk uitgesloten voor ambtenaren. Dus ook de werking van artikel 7:668a BW. De rechtszekerheid staat in de weg aan het al te veel oprekken van artikel 7:668a BW. Daarnaast geldt dat de omgekeerde situatie – de ambtenaar was eerst op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam en nadien op basis van meerdere ambtelijke aanstellingen – niet leidt tot een aanstelling voor onbepaalde tijd.

Zie onder meer: Rb. ’s-Gravenhage 28 januari 2011, TAR 2011/49; Ktr. Enschede 3 januari 2012, JAR 2012, 41 m. nt. mr. E. Knipschild.