KienhuisHoving-Academy KienhuisHoving-Academy
Website
KienhuisHoving-Academy

Onverenigbare betrekkingen van gemeenteraadsleden

Er wordt steeds meer gevraagd van gemeenteraadsleden, zoals het vereiste dat zij bepaalde functies niet (langer) uitoefenen. Tegelijkertijd wil een gemeenteraadslid zich richten op het behartigen van de belangen van de inwoners van zijn gemeente. Waar moet een raadslid op letten?

De sanctie op het uitoefenen van een functie die onverenigbaar is met het raadslidmaatschap, is dat een gemeenteraadslid ophoudt om lid van de raad te zijn (artikel X 1 Kieswet). Er zijn dus grote belangen mee gemoeid om onverenigbare betrekkingen te voorkomen. Deze zware sanctie is gerechtvaardigd omdat het raadslidmaatschap een publieke functie is (waarvan elke burger volgens de Grondwet gerechtigd is om die te vervullen). Hoe kan deze sanctie worden voorkomen?

Onverenigbare betrekkingen

Om het werk als raadslid uit te kunnen voeren is het van belang om scherp voor ogen te hebben de rechten en plichten als raadslid. Raadsleden nemen immers een bijzondere rechtspositie in: zij zijn politieke ambtsdragers die niet op gelijkwaardige voet met ‘gewone’ ambtenaren staan. Om die reden bepaalt de Gemeentewet dat een raadslid onder andere de volgende functies niet mag uitoefenen:

- Burgemeester

- Wethouder

- Ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt.

- Lid van de Raad van State

- Nationale ombudsman

- Commissaris van de Koning

Op deze regel zijn echter uitzonderingen. Zo mag een raadslid in tijdelijke gevallen wel wethouder zijn, bijvoorbeeld wanneer een wethouder tot raadslid is gekozen: tot het moment waarop de wethouder aftreedt kan hij beide functies vervullen. Wanneer een raadslid tot wethouder is benoemd (de omgekeerde situatie), mag het raadslid beide functies vervullen tot het tijdstip waarop de goedkeuring van de geloofsbrief van zijn opvolger onherroepelijk is geworden (of duidelijk wordt dat er geen opvolger is). De achtergrond voor deze uitzondering is dat de verhoudingen in de raad zouden kunnen veranderen indien een raadslid direct (dus nog voordat een opvolger is benoemd) zijn lidmaatschap zou moeten opgeven. Dit kan in bepaalde situaties onwenselijk zijn: de collegepartijen zouden bijvoorbeeld de meerderheid kunnen verliezen.

Verder mag een raadslid wel ambtenaar zijn van een andere gemeente dan de gemeente waarin hij raadslid is. Ook mag een raadslid de functie van ambtenaar van de burgerlijke stand innemen, als vrijwilliger hulpdiensten verrichten (zolang het niet bij wijze van beroep wordt verricht) en werkzaam zijn voor een school voor openbaar onderwijs. Bijzonder is ook dat ambtenaren bij een gemeenschappelijk openbaar lichaam (Wet gemeenschappelijke regelingen) raadsleden kunnen zijn. Dit kan evenwel anders zijn indien het gemeentebestuur algemene en bijzondere aanwijzingen kan geven aan de betreffende ambtenaar, omdat daar de ondergeschiktheid van de ambtenaar aan het gemeentebestuur uit kan blijken.

Verboden nevenwerkzaamheden

Het publiekrecht (lees: de Gemeentewet) spreekt echter niet over de situatie dat een raadslid tevens werkzaam is in een civiele dienstbetrekking. Wat indien een raadslid tevens werknemer is? Kan hem in die situatie worden verboden bepaalde nevenwerkzaamheden uit te oefenen?

In het algemene civiele recht geldt dat nevenwerkzaamheden toegestaan zijn, zolang een werknemer niet in strijd handelt met de verplichtingen die de arbeidsovereenkomst hem oplegt. In voorkomende gevallen kan een werknemer verplicht zijn (op grond van de arbeidsovereenkomst of een cao) om toestemming te vragen aan de werkgever omtrent het verrichten van nevenwerkzaamheden. Indien er geen verbod op nevenwerkzaamheden is overeengekomen, is de vrijheid tot het verrichten van nevenwerkzaamheden echter niet onbegrensd. Zo kunnen de eisen van ‘goed werknemerschap’ met zich mee brengen dat nevenwerkzaamheden ontoelaatbaar zijn (artikel 7:611 BW). De door de eisen van ‘goed werknemerschap’ ingegeven grenzen worden overschreden indien de nevenwerkzaamheden het functioneren als werknemer negatief beïnvloeden of de werkgever hinderen in zijn bedrijfsvoering, bijvoorbeeld doordat hem concurrentie wordt aangedaan.

Hoe verhoudt zich dit tot een functie in het openbaar bestuur?

Bekend is het voorbeeld van de journalist die tevens gemeenteraadslid was. Het raadslid werkte als redacteur/verslaggever voor een plaatselijke krant. Daarnaast was hij in zijn vrije tijd politiek betrokken in de gemeente van zijn woonplaats. De vraag die het Gerechtshof ’s-Gravenhage moest beantwoorden was of het raadslid toestemming nodig had van zijn werkgever om deze functie uit te oefenen. De Rechtbank Rotterdam oordeelde dat de werkgever zijn toestemming aan het raadslid niet mocht onthouden. Het hof oordeelde daarentegen in hoger beroep dat in casu de journalistieke functie onverenigbaar is met een politieke functie in het openbaar bestuur. De bewuste regionale krant profileert zich immers als objectief en onafhankelijk en het raadlidmaatschap kan inbreuk maken op de onafhankelijke signatuur van de krant. De kans dat het raadslid over een kwestie zou publiceren die de gemeentepolitiek raakt terwijl hij werkzaam is als bestuurder van de gemeente, is immers niet ondenkbaar. Met een verbod op nevenwerkzaamheden kan de werkgever dus zijn bedrijfsbelangen beschermen tegen de gevolgen van ongewenste nevenactiviteiten van zijn werknemer, ook indien daarmee een inbreuk wordt gemaakt op een grondwettelijk recht.

Tot slot

Een raadslid moet ervoor waken dat hij niet in de positie komt dat hij een met het raadslidmaatschap onverenigbare betrekking uitoefent. Doet deze situatie zich toch voor? Dan moet het raadslid dit melden (artikel X 5 lid 1 Kieswet). Aan het raadslid kan op grond van de wet ook een waarschuwing worden gegeven.

Heeft u hulp nodig bij het bepalen van de onverenigbare betrekkingen van een raadslid? Neemt u dan contact op met Christian Mutlu  (053-4804216).