KienhuisHoving-Academy KienhuisHoving-Academy
Website
KienhuisHoving-Academy

Merkbare beïnvloeding in het staatssteunrecht: een nieuwe wending?

Op 14 mei 2019 heeft het Europese Gerecht een toch wel belangrijk arrest gewezen. Deze uitspraak heeft onder meer betrekking op de interpretatie van de criteria ‘beïnvloeding van de mededinging’ en ‘beïnvloeding van het interstatelijk handelsverkeer’ van het staatssteunverbod. De uitspraak lijkt te breken met de eerdere jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie ten aanzien van de toepasselijkheid van deze criteria.

Aanleiding

Aanleiding voor de uitspraak is een klacht van een private exploitant van een jachthaven in de gemeente Izola in Slovenië. Voor het gebruik van de jachthaven betaalt deze exploitant jaarlijks een bedrag per vierkante meter dat de jachthaven omvat.  Daarnaast betaalt deze exploitant jaarlijks belasting voor het gebruik van het oppervlaktewater. Ten slotte neemt de exploitant diensten van de gemeente af waarvoor zij een vergoeding verschuldigd is. Haar concurrent, een jachthaven die volledig eigendom van de gemeente Izola is, hoeft deze bedragen niet te betalen; hetgeen in strijd met het staatssteunverbod zou zijn.

Na een beoordeling van de feitelijke omstandigheden kwam de Europese Commissie tot de conclusie dat van een steunmaatregel geen sprake was, omdat de mededinging en het interstatelijk handelsverkeer niet werden beïnvloed. Hoewel de Europese Commissie formeel het standpunt uitdraagt dat ook steun van geringe omvang aan uitsluitend lokaal actieve ondernemingen de mededinging en het interstatelijk handelsverkeer kan beïnvloeden, past de conclusie van de Europese Commissie in haar feitelijke toepassing van deze criteria en was daarmee dus niet verrassend.

Het Europese Hof

Niettemin was het altijd de vraag op welke wijze de Europese rechters met deze feitelijke toepassing om zouden gaan. Tot dusverre hadden de Europese rechters zich namelijk nog niet inhoudelijk uitgesproken over de feitelijke toepassing van deze criteria door de Europese Commissie. Het Europese Hof van Justitie had zich uitsluitend in het kader van de beantwoording van prejudiciële vragen daarover uitgelaten en paste daarbij een zeer strikte interpretatie van de criteria ‘beïnvloeding van de mededinging’ en ‘beïnvloeding van het interstatelijk handelsverkeer’ toe.

In de visie van het Europese Hof van Justitie staat het lokale karakter van de activiteiten van de begunstigde onderneming en/of de geringe omvang van de steunverlening de toepasselijkheid van deze criteria in beginsel niet in de weg. Hoewel de ongunstige beïnvloeding niet louter theoretisch van aard mag zijn en de steunmaatregel voorzienbare gevolgen moet hebben, was de toepassing van deze criteria toch redelijk mechanisch.

Arrest Heiser

Illustratief voor deze interpretatie is het arrest Heiser uit 2005. In dat arrest sprak het Europese Hof van Justitie zich uit over de interpretatie van een fiscale regeling uit Oostenrijk en waarop een Oostenrijkse tandarts een beroep deed. De Oostenrijkse belastingdienst weigerde met een beroep op de staatssteunregels de toepassing van die regeling in dat concrete geval; hetgeen het Europese Hof van Justitie onderschreef, onder meer omdat niet uitgesloten kon worden dat “gespecialiseerde tandartsen als Heiser concurreren met hun in een andere lidstaat gevestigde collega’s”. Een standpunt dat het Europese Hof van Justitie in 2015 ten aanzien van de taxi’s in Londen herhaalde.

Conclusie

In het arrest van de Sloveense jachthaven breekt het Europese Gerecht dus met deze mechanische toepassing van de criteria ‘beïnvloeding van de mededinging’ en ‘beïnvloeding van het interstatelijk handelsverkeer’. Op basis van de omstandigheden bevestigt het Europese Gerecht de conclusie van de Europese Commissie dat van een merkbare beïnvloeding geen sprake is. Daarmee brengt het Europese Gerecht een nieuw argument in stelling, die op het eerste gezicht niet lijkt te rijmen met de door het Europese Hof van Justitie geformuleerde uitgangspunten teen aanzien van de toepassing van voornoemde criteria. Omwille van rechtseenheid zou het dan ook goed zijn wanneer de klagers in hoger beroep bij het Europese Hof van Justitie zullen gaan.

Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid juich ik de conclusie van het Europese Gerecht toe. Dat neemt niet weg dat in sommige Nederlandse situaties steunverlening nog steeds niet mogelijk is, omdat een overheidsorgaan daarmee mogelijk in strijd met de Wet markt en overheid handelt. In de situatie van de Sloveense gemeentelijke jachthaven zou namelijk sprake zijn van schending van de gedragsregel ‘verbod van bevoordeling van overheidsbedrijven’. Ook bij subsidiëring van puur lokale activiteiten blijft het dus oppassen.

Voor meer informatie over dit onderwerp, kunt u terecht bij Edwin Schotanus.