Komt er een einde aan de alleenheerschappij van PostNL?

Bestuursrechtjuristen kennen het wel. Een bezwaar- of beroepschrift is op grond van artikel 6:9, lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tijdig ingediend wanneer het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd. Met ter post bezorging bedoelt de wet dat het stuk tijdig moet zijn aangeboden bij PostNL. Een koerier telt niet. Daar lijkt nu een einde aan te komen.

We weten niet beter dan dat een processtuk het beste aangetekend en per gewone post voor het einde van de bezwaar- of beroepstermijn kan worden aangeboden bij PostNL. Wordt een processtuk aangeboden bij een koerier of andere postdienst dan draagt de indiener het risico wanneer het poststuk te laat bij het bestuursorgaan of rechterlijke instantie wordt bezorgd. Als hij dan niet aannemelijk kan maken dat hij het poststuk tijdig bij de koerier aanbood, dan is hij niet-ontvankelijk in zijn bezwaar of beroep. Dat is de vaste rechtspraak van de Nederlandse bestuursrechters. Aan die praktijk lijkt nu einde te komen. Uit een arrest van Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 27 maart 2019 blijkt dat PostNL in Nederland niet meer de voorkeurspositie mag hebben die zij al jaren heeft. De rechtbanken in Den Haag en Rotterdam hebben dat arrest inmiddels overgenomen. Het is nu wachten op uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Poolse zaak

 Het begon allemaal met een rechtszaak in Polen. De heer Pawlak was het niet eens met een besluit over een schadevergoeding en ging in beroep bij de rechter. Daar kreeg hij gelijk. De instantie die de schadevergoeding moest betalen ging in hoger beroep. In plaats van dat die instantie het hoger beroepschrift afleverde bij het Poolse postbedrijf, stuurde hij het via een koerier. In Polen geldt dat wanneer een processtuk wordt afgeleverd bij de Poolse postdienst dat gelijk staat aan het indienen van dat processtuk bij het Poolse gerecht zelf. Omdat het via een koerier was verstuurd werd het hoger beroep niet in behandeling genomen. De instantie liet het er niet bij zitten en ging in cassatie. In die procedure beriep hij zich op de Europese Postrichtlijn. De Postrichtlijn heeft namelijk tot doel om “de interne markt voor postdiensten te verwezenlijken en om een einde te maken aan het handhaven van een voorbehouden sector en bijzondere rechten als middel om de financiering van de universele dienst te verzekeren. De Poolse rechter stelde het Europese Hof vragen over hoe de Postrichtlijn moet worden toegepast. In het arrest geeft het Hof antwoord.

 Het Hof overweegt “dat de Postrichtlijn zo moet worden uitgelegd dat hij zich verzet tegen een nationale regeling die, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging wegens redenen van openbare orde of openbare veiligheid bestaat, alleen de afgifte van een processtuk in een postkantoor van de enige voor de universele postdienst aangewezen aanbieder erkent als gelijkwaardig aan de indiening van het processtuk bij de betrokken rechterlijke instantie”.

 Dat alleen PostNL als enige postdienst is aangewezen is dus in strijd met de Postrichtlijn.

Rechtbanken Den Haag en Rotterdam

Inmiddels hebben de rechtbanken Den Haag en Rotterdam beide in een uitspraak het arrest van het Hof toegepast. De rechtbank Den Haag deed dat al op 22 augustus 2019 in een vreemdelingenzaak. Daar had de vreemdeling zijn beroepschrift niet via PostNL verzonden. De rechter in Den Haag oordeelde kort maar duidelijk:

 “In Nederland is de hoogste rechtbank die oordeelt over verblijfsvergunningen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Die heeft geoordeeld dat een beroep alleen op tijd op de post kan zijn gedaan als het is verzonden met Post NL. Het beroep van eiser is niet verzonden met Post NL. Toch vindt de rechtbank dat het beroep van eiser op tijd is. Dat komt omdat de rechtbank voorrang moet geven aan uitspraken van de Europese rechter. Die heeft recent geoordeeld dat het niet is toegestaan om zonder goede reden één postdienst aan te wijzen waarmee beroepen op tijd kunnen worden ingediend. De rechtbank zal de zaak daarom verder behandelen”.

 In een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2020 gaat de rechter veel uitgebreider op het arrest van het Hof in en komt tot dezelfde conclusie. Daar was het beroepschrift ingediend via Falkpost, een postdienst waar veel bedrijven gebruik van maken. In de afgelopen jaren zijn in Nederland behoorlijk wat zaken gesneuveld omdat gebruik was gemaakt van Falkpost. De rechtbank overwoog in deze zaak over artikel 6:9, tweede lid Awb:

 “Weliswaar lijkt de wetsgeschiedenis van die bepaling die tot stand kwam toen nog geen volledig geliberaliseerde postmarkt tot stand was gebracht uitsluitend de toenmalige concessiehouder PTT in gedachten te hebben gehad (PG Awb I, p. 294-296), maar de tekst van die bepaling sluit een uitbreiding naar postbezorging bij andere postvervoerders niet uit. Daarentegen zal het in alle gevallen buiten toepassing laten van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb zonder meer strijd met de rechtszekerheid opleveren in die gevallen waarin uiterlijk op de laatste dag van de bezwaar- of beroepstermijn een bezwaar- of beroepschrift ter post is aangeboden bij de universele dienstverlener en het geschrift uiterlijk binnen een week na afloop van de termijn door de instantie is ontvangen. Gelet op een en ander is de rechtbank van oordeel dat een richtlijnconforme toepassing van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb mogelijk en geboden is en met zich brengt dat het bezwaarschrift tijdig ter post bezorgd

Conclusie

De conclusie die uit het arrest van het Hof en de uitspraken van de rechtbanken Den Haag en Rotterdam kan worden getrokken is dat aan de voorkeurspositie die PostNL op grond van artikel 6:9, lid 2 Awb heeft een einde lijkt te komen. Het is dan ook raadzaam om, wanneer zich die situatie voordoet, een beroep op de Postrichtlijn en het arrest Pawlak te doen.

Erik Averdijk
erik.averdijk@kienhuishoving.nl
tel: 06 11 31 72 60