KienhuisHoving-Academy KienhuisHoving-Academy
Website
KienhuisHoving-Academy

Jeugdhulpplicht voor gemeenten

Met de komst van de nieuwe Jeugdwet (per 1 januari 2015) zijn gemeenten verantwoordelijk geworden voor de jeugdhulp. Dit zorgt binnen veel gemeenten voor een onzekere situatie over hun verplichtingen en de rol van de gemeente daarin. Veel gemeenten vragen zich af hoe zij jeugdhulpaanvragen dienen te beoordelen. De Centrale Raad van Beroep (hierna: ‘de Raad’) heeft hier op 1 mei 2017 duidelijkheid in gegeven door middel van het schetsen van zorgvuldigheidseisen (ECLI:NL:CRVB:2017:1477).

Casus

De betrokken jongere heeft psychische problemen en kreeg zorg in de vorm van begeleiding. Het Bureau Jeugdzorg heeft de betrokken jongere in de jaren voorafgaand aan dit geschil geïndiceerd voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Deze indicatie liep tot 24 april 2015, waarna de betrokken jongere opnieuw een aanvraag heeft ingediend bij de gemeente tot verlenging van de jeugdhulp. Het College van Burgemeester & Wethouders (hierna: ‘het college’) heeft besloten dat de betrokken jongere op grond van de nieuwe Jeugdwet – meer in het bijzonder artikel 2.3 van de Jeugdwet – niet meer in aanmerking komt voor jeugdhulp. Dit besluit van het college is gebaseerd op het gezinsplan van het Centrum voor Jeugd en Gezin (hierna: ‘CJG’). Verder vindt het college dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de betrokken jongere en de ouders toereikend zijn. Hiertegen heeft de betrokken jongere bezwaar gemaakt en vervolgens beroep aangetekend.

De Commissie bezwaarschriften heeft het bezwaar gegrond verklaard, waarbij zij heronderzoek in een breder kader nodig achtte. Ondanks dit advies van de Commissie bezwaarschriften, is het college van dit advies afgeweken en heeft het college het bezwaar alsnog ongegrond verklaard. In beroep heeft de rechtbank geoordeeld over deze beslissing op bezwaar. De rechtbank ging mee in het standpunt van het college. Hierbij heeft de rechtbank geoordeeld dat het college, gelet op het gezinsplan van CJG, tot de conclusie heeft kunnen komen dat de activiteiten waarvoor jeugdhulp is aangevraagd gedeeltelijk niet zijn aan te merken als jeugdhulp dan wel dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn (ECLI:NL:RBOVE:2016:1816).

Doel van de wet

Voordat wordt gekeken naar de inhoudelijke beoordeling zoals die door de Raad is gegeven, is het zinvol om eerst te kijken naar de tekst van de Jeugdwet en de wetsgeschiedenis. Zo op het eerste gezicht lijkt de wetgever gemeenten met de invoering van de Jeugdwet een duidelijk kader te willen geven, waarbij efficiëntie en effectiviteit voorop staan. Uit de wetsgeschiedenis bij de Jeugdwet volgt dat het doel van de wet het versterken van de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving is.

Gemeenten dienen daar waar de betrokken jongere of zijn ouders dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen. Hierbij lijkt de wetgever de link te willen leggen met de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: ‘Wmo 2015’). In de Wmo 2015 staat de participatie en zelfredzaamheid van de burger ook centraal. Door deze eigen kracht van burgers voorop te stellen, wordt er veel verlangd van het sociale netwerk van betrokkenen. Uit de Wmo 2015 en de Jeugdwet volgt dat een jongere (enkel of pas) in aanmerking komt voor een voorziening indien hij/zij er op eigen kracht niet langer uitkomt. De principiële vraag die hieruit voortvloeit is of gemeenten mogen verwachten dat een jongere / betrokkene terugvalt op de sociale omgeving. Deze vraag zou in het licht van de tekst van de Wmo 2015 en Jeugdwet, in combinatie met de wetsgeschiedenis, wel eens positief kunnen worden beantwoord.

Beoordelingskader gemeenten

Met betrekking tot het beoordelingskader van de jeugdhulpaanvragen, heeft de Raad aansluiting gezocht bij de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht. In het beoordelingskader schetst de Raad de zorgvuldigheideisen ten aanzien van de beoordeling van jeugdhulpaanvragen, waarbij de Raad uitgaat van verschillende stadia van de onderzoeksplicht van gemeenten. De Raad formuleert de stadia als volgt:

  1. Op het moment dat een jongere of betrokkene zich meldt met een vraag voor jeugdhulp, dient het college allereerst vast te stellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) is.
  2. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn.
  3. Wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de betrokken jongere om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.
  4. Als laatste stap moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden.

 

Slechts voor zover de eigen mogelijkheden ontoereikend zijn, dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen. De kritische kanttekening in dit verband is dat het college slechts mag besluiten over de jeugdhulpaanvraag, indien zij voldoende kennis heeft vergaard over de feiten en de af te wegen belangen. Dit brengt met zich mee dat voor zover het onderzoek naar de nodige hulp specifieke deskundigheid vereist, het college niet eerder mag besluiten op de aanvraag dan wanneer zij een specifiek deskundig oordeel en advies heeft.

Conclusie

De gemeenten hebben, door deze zorgvuldigheidseisen van de Raad, een duidelijk beoordelingskader met betrekking tot het toetsen van de jeugdhulpaanvragen gekregen. Goed denkbaar is dat gemeentelijk Nederland met betrekking tot de toepassing van dit beoordelingskader veel werk aan de winkel heeft. Dit zal zich met name toespitsen op het aanpassen van het gemeentelijk beleid, alsmede het anders uitleggen en toepassen van het beleid.

Voor het beoordelingskader met betrekking tot de Wmo 2015 wijs ik op de uitspraak van de Raad van 11 januari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:17).

Mocht u vragen hebben over het sociale zekerheidsrecht of wilt u meer informatie, neem dan gerust contact op met Ilse van der Woude. Bel of mail met: ilse.vanderwoude@kienhuishoving.nl (053-480 47 51).