KienhuisHoving-Academy KienhuisHoving-Academy
Website
KienhuisHoving-Academy

Fusie-effectrapportage: mijn eerste ervaringen

Eind vorig jaar schreef ik over mijn verwachtingen over de rol die de NZa zou kunnen oppakken na de inwerkingtreding van de zorgspecifieke fusietoets. Ik verwachtte een kritische blik van de NZa op nieuwe fusievoornemens van zorginstellingen. Inmiddels zijn we vijf maanden verder; tijd voor het delen van mijn eerste ervaringen.

In het licht van enkele zienswijzen van de NZa en de politieke houding jegens fusies tussen zorginstellingen verwachtte ik dat de NZa haar nieuwe bevoegdheid zou aangrijpen om een kritischere zorgspecifieke blik op dergelijke fusies te werpen. Echter, ik had deze verwachting nog niet opgeschreven toen met de publicatie van het ‘meldingsformulier zorgfusietoets’ bleek dat de NZa gemelde fusies uitsluitend vanuit een procedureel oogpunt zou gaan beoordelen; met andere woorden, hebben de meldende zorginstellingen de zienswijzen van diverse stakeholders ingewonnen en hun belangen in de besluitvorming (mee)gewogen en hebben de meldende zorginstellingen oog gehad voor de borging van de continuïteit van het aanbod van cruciale zorg.

De besluitenpraktijk van de NZa laat zien dat de zorgspecifieke fusietoets sneller toepasselijk is dan het concentratietoezicht in de Mededingingswet. De idee, dat een fusie uitsluitend bij de NZa dient te worden gemeld wanneer ook een melding bij de ACM noodzakelijk is, is dan ook onjuist. Een melding bij de NZa is noodzakelijk wanneer bij ten minste één van de betrokken zorgaanbieders meer dan 50 personen zorg verlenen. Wanneer een grote zorgaanbieder tien medewerkers met cliënten van een andere zorgaanbieder overneemt, is het regime van de zorgspecifieke fusietoets bijvoorbeeld al van toepassing.

De informatie die de meldende zorgaanbieder(s) vervolgens via het meldingsformulier moet(en) verstrekken, is overzichtelijk. Zij moeten informatie over henzelf verstrekken, over de structuur van de voorgenomen transactie, over de financiële gevolgen van die transactie, over de risico’s voor de bereikbaarheid en de kwaliteit van de zorg, over de continuïteit van het aanbod van cruciale zorg en over de betrokkenheid van de ondernemingsraad, cliëntenraad en overige stakeholders. De meldende zorgaanbieder(s) kunnen hun antwoorden aan de hand van bijlagen illustreren, zoals een business plan, alsmede de adviesaanvragen aan de medezeggenschapsorganen en hun adviezen. Ook documenten die  ter voorbereiding op de voorgenomen transactie zijn gebruikt, kunnen worden overgelegd.

Na het indienen van het meldingsformulier vangt de wettelijke beoordelingstermijn van vier weken aan. Deze termijn kan worden opgeschort wanneer de NZa van mening is dat het meldingsformulier niet compleet is. Daartoe stelt de NZa vragen aan de meldende zorgaanbieder(s). De diepgang van de vragen hangt samen met de taak van de NZa. De NZa beoordeelt immers of het concentratieproces zorgvuldig is. Daaruit vloeit voort dat de toets van de NZa een marginale is. Dit blijkt vervolgens uit de gestelde vragen. Het overgrote deel van de vragen van de NZa hebben betrekking op een betere vertaling van de bijlagen in het meldingsformulier. Dit vloeit voort uit de omstandigheid dat de NZa (in tegenstelling tot de ACM) het meldingsformulier openbaar maakt.

In de visie van de NZa dient het meldingsformulier zelfstandig leesbaar te zijn. Het verwijzen naar (veelal vertrouwelijke) bijlagen komt de leesbaarheid niet ten goede, ook al krijgt de NZa op basis van de overgelegde bijlagen wel een zorgvuldig beeld van het concentratieproces.

Stelt de NZa dan in het geheel geen kritische vragen? Nee, dat is niet waar. Met name ten aanzien van de kwalificatie van een transactie als concentratie en ten aanzien van de betrokkenheid van andere stakeholders dan de medezeggenschapsorganen kan de NZa kritisch zijn.

Over de kwalificatie als concentratie overlegt de NZa in voorkomende gevallen met de ACM, aangezien de ACM daarmee meer ervaring heeft dan de NZa. Dit geldt bijvoorbeeld voor situaties waarin de meldende zorgaanbieder(s) een joint venture willen oprichten. De betrokkenheid van de ACM in deze fase kan ook een voordeel zijn. In een eventuele aansluitende melding bij de ACM bestaat dan geen onduidelijkheid meer over de vraag of de voorgenomen transactie als een concentratie kan worden aangemerkt.

Ten aanzien van de betrokkenheid van andere stakeholders wenst de NZa inzicht te krijgen in de wijze waarop zorginkopers (zoals gemeenten, zorgverzekeraars en zorgkantoren) in het concentratieproces zijn betrokken. Het is dus van belang bij de voorbereiding van een transactie met deze stakeholders rekening te houden. Ook dit hoeft niet nadelig te zijn. Voorshands bestaat er duidelijkheid omtrent het draagvlak voor de voorgenomen transactie.

Nadat de meldende zorgaanbieders de vragen van de NZa hebben beantwoord, loopt de wettelijke beoordelingstermijn weer door. Hoewel de NZa een termijn van vier weken voor de beoordeling van de voorgenomen transactie heeft, brengt dit echter helaas niet met zich dat de NZa ook binnen die termijn met een besluit hoeft te komen. In tegenstelling tot de Mededingingswet is het namelijk niet zo dat bij overschrijding van de wettelijke beoordelingstermijn een positief besluit van rechtswege moet geacht te zijn verleend.

De Algemene wet bestuursrecht bepaalt namelijk dat de NZa bij overschrijding van de termijn alsnog een redelijke termijn gegund dient te worden om tot een besluit te komen. Hoe lang die extra redelijke termijn is, is echter onduidelijk. Dit heeft in één melding geleid tot een termijnoverschrijding van in totaal 25 kalenderdagen; bijna een verdubbeling van de wettelijke beoordelingstermijn dus. Dit is een aspect om bij de planning van de voorgenomen transactie rekening te houden.

Mijn eerste ervaringen met de zorgspecifieke fusietoets zijn dus dat de NZa zich daadwerkelijk beperkt tot een (marginale) toets op een zorgvuldig fusieproces. Daarnaast dringt de NZa er (middels vragen) op aan dat de inhoud van belangrijke bijlagen zo veel als mogelijk in de tekst van de fusie-effectrapportage verwerkt zijn, zodat deze ook voor derden voldoende kenbaar zijn. Hoewel het regime van de zorgspecifieke fusietoets in een wettelijke beoordelingstermijn voorziet, is dit dus geen garantie dat de NZa binnen die termijn ook tot een (positief) besluit komt.

Ik blijf de vinger aan de pols houden.

 

Delen op