KienhuisHoving-Academy KienhuisHoving-Academy
Website
KienhuisHoving-Academy

Faillissement en onverschuldigde betaling: (wanneer) een onmiskenbare vergissing?

U betaalt op een verkeerd rekeningnummer en bij navraag blijkt de ontvanger van het geld failliet te zijn. Of dat u via een betaalbatch aan een inmiddels failliete leverancier betaalt, waarmee u al jaren geen zaken doet. In die situaties vindt u soms een curator op uw weg, die stelt: “Foutje, bedankt!”, zoals menigeen de reclameslogan van verzekeraar Reaal zich kan herinneren. Maar is dat standpunt van de curator juist?

Op 31 oktober 2014 heeft de Hoge Raad een arrest (ECLI:NL:HR:2014:3080) gewezen, waarin dit onderwerp van geschil was tussen CZ Zorgkantoor en de curator van Raad & Daad Thuiszorgbegeleiding B.V.

CZ Zorgkantoor betaalde de door haar toegekende persoonsgebonden budgetten (PGB’s) in de AWBZ aan de PGB-houders, met wie CZ Zorgkantoor een PGB-overeenkomst heeft gesloten. Raad & Daad exploiteerde een instelling voor thuisbegeleiding. Een aantal, bij CZ verzekerde, PGB-houders maakte gebruik van de diensten van Raad & Daad. Raad & Daad sloot daartoe zorgovereenkomsten met de PGB-houders. Voor wat betreft de uitbetaling van de PGB-gelden door het zorgkantoor werden op naam van (!) Raad & Daad voor elke CZ verzekerde, respectievelijk PGB-houder, een aparte rekening geopend.

In de zorgovereenkomsten was bepaald dat Raad & Daad als gemachtigde van de PGB-houder optrad ten aanzien van de rekeningen waarop het door CZ Zorgkantoor toegekende budget werd gestort. Na storting van de gelden voldeed Raad & Daad zichzelf rechtstreeks uit deze gelden in verband met door haar ten behoeve van de PGB-houders verrichte zorgwerkzaamheden uit hoofde van de gesloten zorgovereenkomsten. Deze gang van zaken bestond sinds 2008.

Aangezien deze werkwijze enigszins fraudegevoelig bleek, heeft medio 2009 het ministerie van VWS de regeling voor de wijze van betaling van de PGB-gelden gewijzigd. De wijziging bracht mee dat CZ Zorgkantoor vanaf 16 juli 2009 de voorschotten op de PGB’s uitsluitend op een bankrekening van de PGB-houder of diens wettelijke vertegenwoordiger mocht overmaken. Bij brief van 3 augustus 2009 heeft CZ Zorgkantoor Raad & Daad van deze wijziging in kennis gesteld en, kort gezegd, aangegeven dat voortaan enkel aan de PGB-houder of diens wettelijke vertegenwoordiger wordt betaald. Echter, in plaats van dat dit gebeurde, werden de PGB-gelden gewoon betaald op de rekeningen van Raad & Daad. Sterker nog, zelfs nadat Raad & Daad op 30 december 2009 failleerde, werden in januari 2010 voor circa € 173.500 aan PGB-voorschotten op die rekeningen betaald. Toen CZ Zorgkantoor daar achter kwam, vorderde zij de betaalde voorschotten van de curator terug. Echter, de curator weigerde dit.

Afgezien dat CZ Zorgkantoor vond dat de gelden aan de PGB-houders toekwam, waren de betalingen naar haar oordeel een gevolg van een zogenaamde “onmiskenbare vergissing”. Het zou voor de curator overduidelijk zijn dat na de wijziging van de regeling in 2009 de betalingen niet voor Raad & Daad waren bedoeld.

Zowel de rechtbank als het gerechtshof volgden CZ Zorgkantoor echter niet in haar betoog. Vast staat dat de bankrekeningen op naam van Raad & Daad stonden, zodat Raad & Daad in relatie tot de bank tot het saldo op die rekeningen was gerechtigd. En ook al zou in strijd met de gewijzigde regeling zijn gehandeld, dat neemt niet weg dat alle partijen, CZ Zorgkantoor, Raad & Daad en de PGB-houders, uitvoering zijn blijven geven aan de situatie, zoals die voor de wijziging bestond.

CZ Zorgkantoor stelde uiteindelijk cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De kern van het arrest
Of sprake is van een onmiskenbare vergissing, die ertoe leidt dat de curator op eerste verzoek de voorschotten moet terugbetalen, is, volgens de Hoge Raad, afhankelijk van de vraag of
i) er een rechtsverhouding tussen CZ Zorgkantoor en Raad & Daad bestaat of heeft bestaan,
ii) die CZ Zorgkantoor als betaler, Raad & Daad als gefailleerde of de curator aanleiding kon geven te veronderstellen dat er (mogelijk) wél een rechtsgrond aanwezig was voor de betaling.

En zodra
- die rechtsverhouding ontbreekt, dan wel
- die rechtsverhouding geen rechtsgrond voor de betaling oplevert,

waarbij uit de gegevens, al dan niet na enig onderzoek, zonder enige twijfel duidelijk volgt dat de gelden niet voor de gefailleerde Raad & Daad of de curator zijn bestemd, moet de curator de gelden direct terugbetalen.[1]

Aangezien de betalingen van CZ Zorgkantoor voortvloeien uit een sinds 2008 ongewijzigde werkwijze tussen CZ Zorgkantoor, Raad & Daad en de PGB-houders, is sprake van een zodanige rechtsverhouding die de curator (ook na enig onderzoek) aanleiding kon geven te veronderstellen dat (mogelijk) een rechtsgrond voor de betalingen aan Raad & Daad bestond.

Dat (de curator wist dat) de betalingen geschiedden in strijd met de gewijzigde regeling en in afwijking van de brief van CZ Zorgkantoor aan Raad & Daad, alsmede de stelling dat de PGB-houders gerechtigd waren tot die rekeningen waarop de bewuste betalingen zijn gedaan, betekent (nog) niet dat sprake is van een onmiskenbare vergissing.

Conclusie arrest
De uitkomst van het arrest is dat de curator de voorschotten niet onverwijld en buiten de afwikkeling van het faillissement aan CZ Zorgkantoor hoeft terug te betalen. Wat voor CZ Zorgkantoor resteert, is een zogenaamde “concurrente boedelvordering”. Het gevolg daarvan kan zijn dat, zodra het boedelactief ontoereikend is om bijvoorbeeld boedelvorderingen van hogere rang te voldoen, CZ Zorgkantoor uiteindelijk niets van de betalingen terug ontvangt.[2]

Wat kan het arrest voor u betekenen?
Ook al liep de procedure voor CZ Zorgkantoor niet goed af, dat wil niet zeggen dat de curator altijd aan het langste eind trekt. Zodra u per abuis aan een failliete (rechts)persoon betaalt, kunt u het geld zondermeer van de curator terugvorderen, indien u aantoont dat voor de betaling geen enkele aanleiding bestaat of heeft bestaan en u zonder rechtsgrond hebt betaald.

 Advocaat herstructurering & insolventierecht bij KienhuisHoving advocaten en notarissen te Enschede, lid van de sectorgroep gezondheidszorg. Daarnaast wordt Hendrie regelmatig door de rechtbank tot faillissementscurator aangesteld.



[1] Deze rechtsregel vloeit voort uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad: HR 6 september 1997, NJ 1998, 437 (Ontvanger/Hamm q.q.) en HR 8 juni 2007, NJ 2007, 419 (Van der Werff q.q./BLG).

[2] In het arrest wordt hieraan in een ander verband aandacht besteed, hetgeen ik verder buiten beschouwing laat.

 

Delen op