KienhuisHoving-Academy KienhuisHoving-Academy
Website
KienhuisHoving-Academy

Enquêteprocedure: onderzoekskosten kunnen ook worden verhaald op de feitelijk leidinggever

De feitelijk leidinggever komt er niet meer zonder meer mee weg! De Hoge Raad bevestigde in zijn arrest van 13 april 2018 dat ook anderen dan formele functionarissen van een rechtspersoon door de Ondernemingskamer kunnen worden veroordeeld in de kosten van het enquêteonderzoek. Als maatstaf geldt dat ten aanzien van de (rechts)persoon individueel en concreet blijkt dat hij verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid of onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon.

Het Nederlandse vennootschapsrecht biedt een zeer nuttig middel om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon te starten: de enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam. Deze procedure kan uitkomst bieden bij onder meer het doorbreken van impasses in de besluitvorming binnen de organen van een rechtspersoon.

Op het moment dat de Ondernemingskamer meent dat sprake is van ‘gegronde redenen om te twijfelen aan juist beleid’, kan een onderzoek worden bevolen. Het onderzoek wordt wel beschouwd als de kern van het enquêterecht. De werkzaamheden van de onderzoeker bestaan onder meer uit: i) het vaststellen van zijn taak; ii) het verzamelen en bestuderen van de benodigde gegevens (waaronder het horen van getuigen/deskundigen) en iii) het neerleggen van zijn bevindingen in een verslag.

De duur van een onderzoek, en de hoogte van de hieraan verbonden kosten, variëren naar gelang de complexiteit van de problemen en de periode waarover deze zich uitstrekken. In beginsel draagt de rechtspersoon de kosten van het onderzoek. De Ondernemingskamer kan echter - na kennisneming van het verslag van de onderzoeker - op verzoek van de rechtspersoon beslissen dat de rechtspersoon de kosten van het onderzoek (geheel of gedeeltelijk) kan verhalen op:

“de verzoekers, indien uit het verslag blijkt dat het verzoek niet op redelijke grond is gedaan, de bestuurder, commissaris of een ander die in dienst is van de rechtspersoon”  (artikel 2:354 BW),

als uit het verslag blijkt dat de betreffende functionaris verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of onbevredigende gang van zaken. De functionaris moet bovendien persoonlijk van de onjuistheid van dat beleid of van de onbevredigende gang van zaken een verwijt kunnen worden gemaakt. Het recent door de Hoge Raad gewezen arrest van 13 april 2018 geeft blijk van een verruiming van dit (wettelijke) uitgangspunt.

Hoge Raad 13 april 2018 - Leaderland

In de kwestie die ten grondslag lag aan dit arrest was sprake van een formeel bestuurder en een (naar het oordeel van de Ondernemingskamer) feitelijk leidinggever. De feitelijk leidinggevende is kort gezegd de (rechts)persoon die de facto, zonder formeel benoemd te zijn, de bestuurstaak uitoefent en het beleid van de rechtspersoon bepaalt als ware hij formeel bestuurder. Bij beschikking van 22 april 2016 overwoog de Ondernemingskamer dat uit het onderzoeksrapport blijkt dat sprake is van wanbeleid binnen de rechtspersoon. Bestuurder en feitelijk leidinggever werden hiervoor verantwoordelijk geacht. Bestuurder en feitelijk leidinggever hadden namelijk bewerkstelligd dat onderdelen van de rechtspersoon waren ontmanteld, en dat de activa zonder duidelijke en betrouwbare waardering waren verkocht aan enkele aan feitelijk leidinggever gelieerde partijen. In deze activiteiten lag, aldus de Ondernemingskamer, besloten dat sprake was van een persoonlijk verwijt van de bestuurder en de feitelijk leidinggever.

Beoordeling

Uit artikel 2:354 BW volgt dat voor kostenveroordeling uit het onderzoeksverslag moet blijken dat de functionaris ‘verantwoordelijk’ is voor een ‘onjuist beleid’ of een ‘onbevredigende gang van zaken’ van de rechtspersoon. De Hoge Raad heeft deze maatstaf in het arrest Meavita (HR 18 november 2016) nader ingevuld:

“Bij de beslissing of de kosten van het onderzoek geheel of ten dele kunnen worden verhaald op een individuele bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst van de rechtspersoon is, dient de Ondernemingskamer alle omstandigheden van het geval te betrekken. Uit haar overwegingen moet ten aanzien van de desbetreffende functionaris individueel en concreet blijken dat hij verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid of de onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon.”

De Hoge Raad overweegt dat uit de parlementaire geschiedenis van artikel 2:354 BW volgt dat de Ondernemingskamer een discretionaire bevoegdheid heeft om een beoordeling naar billijkheid te geven. De wetsgeschiedenis bevat geen aanwijzingen die erop zien dat de wetgever heeft beoogd om de personen zonder formele functie voor verhaal van onderzoekskosten uit te sluiten. Gelet hierop overweegt de Hoge Raad dat artikel 2:354 BW ook van toepassing is op alle personen die in de sfeer van de rechtspersoon zijn opgetreden en verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het slecht functioneren van de rechtspersoon. In dit geval dus ook de feitelijk leidinggever.

Conclusie

Met dit arrest vindt dus een uitbreiding plaats van de verhaalsmogelijkheden voor de onderzoekskosten binnen een enquêteprocedure. Anders dan direct blijkt uit de tekst van artikel 2:354 BW, kunnen ook (rechts)personen die niet in dienst zijn van de rechtspersoon worden veroordeeld tot vergoeding van de onderzoekskosten. Deze kostenveroordeling is mogelijk als ten aanzien van de betreffende (rechts)persoon individueel en concreet blijkt dat hij verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid of onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon, en dat hem persoonlijk daarvan een verwijt kan worden gemaakt.

Wilt u meer weten over de enquêteprocedure of andere ondernemingsrechtelijke vraastukken, neemt u dan gerust contact op met de sectie Ondernemingsrecht van KienhuisHoving advocaten en notarissen.