Eenzijdig wijzigen van een pensioenregeling van oud-werknemers

Einde arbeidsovereenkomst betekent nog geen einde van de pensioenovereenkomst. Onder de PSW is eenzijdig wijzigen mogelijk, tenzij...

Op 6 september jl. heeft de Hoge Raad een arrest gewezen (ECLI:NL:HR:2013:CA0566) tussen een vereniging die opkomt voor (pensioen)belangen van oud-werknemers enerzijds en een werkgever anderzijds. In de pensioenregeling die de werkgever met haar werknemers overeenkwam, was opgenomen dat de werkgever de bevoegdheid had om, onder omstandigheden, de inhoud van de pensioenregeling eenzijdig te wijzigen. In de kern ging het om de vraag of de werkgever in verhouding tot een aantal oud-werknemers van die eenzijdige wijzigingsbevoegdheid rechtsgeldig gebruik had gemaakt.

Einde arbeidsovereenkomst betekent nog geen einde van de pensioenovereenkomst
De vereniging van oud-werknemers nam het standpunt in dat het de werkgever niet was toegestaan om de pensioenregeling zonder hun instemming te wijzigen, omdat de arbeidsovereenkomst tussen hen en de werkgever tot een einde was gekomen. De Hoge Raad is het daarmee oneens en overweegt dat, indien sprake is van pensioenaanspraken, het einde van de arbeidsovereenkomst niet meebrengt dat sprake is van een “uitgewerkte” rechtsverhouding.

In dat geval wordt volgens de Hoge Raad de rechtsverhouding, zij het met gewijzigde hoedanigheid van partijen, voortgezet in de pensioenovereenkomst. Het gevolg daarvan is dat de werkgever, in beginsel, wel degelijk gebruik kan maken van haar bevoegdheid tot (eenzijdige) wijziging van de pensioenregeling, ook ten aanzien van personen die niet meer op basis van een arbeidsovereenkomst bij haar werkzaam zijn.

Het is de eerste keer dat de Hoge Raad een oordeel geeft over wat de gevolgen zijn voor een pensioenovereenkomst na het einde van een arbeidsovereenkomst.

Onder de PSW is eenzijdig wijzigen mogelijk, tenzij…
De werkgever had van haar bevoegdheid tot het eenzijdig wijzigen van de pensioenregeling gebruikgemaakt op een moment dat de – thans geldende en op 1 januari 2007 in werking getreden – Pensioenwet (PW) nog niet in werking was getreden. Als gevolg daarvan moest worden getoetst aan de normen uit de voorganger van de PW, de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW). Anders dan de PW, waarin op grond van artikel 19 een (overeengekomen) eenzijdige wijzigingsbevoegdheid gepaard moet gaan met een zodanig zwaarwichtig belang van de werkgever dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken, voorzag de PSW niet in een norm voor de beoordeling van een eenzijdige wijziging in een pensioenreglement.

De Hoge Raad oordeelde dat, voor zover de pensioenovereenkomst de werkgever de bevoegdheid tot wijziging gaf, het gebruikmaken van die bevoegdheid in beginsel geoorloofd was en die geoorloofdheid dus niet afhankelijk was van een belangenafweging als die in artikel 19 PW. De uitoefening van de bevoegdheid door de werkgever wordt slechts beperkt voor zover deze van die bevoegdheid misbruik maakt (artikel 3:13 BW) of de uitoefening van die bevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:248 lid 2 BW). Dat zijn bepaald strenge maatstaven, waaraan niet snel zal zijn voldaan.

Het opvallende aan deze uitspraak is dat een eenzijdige wijziging van de pensioenregeling onder de PSW minder streng wordt beoordeeld dan onder de thans geldende PW.

Auteurs: Camiel Beltman en Ruud Derksen