Een berging in appartementencomplex is in beginsel niet bedoeld voor bewoning, 2 uitspraken

Berging op vijfde verdieping (Rechtbank Amsterdam 5 april 2022)

Een woonappartement heeft een berging op de vijfde verdieping. De VvE en de betreffende eigenaar verschillen van mening over de vraag of deze berging mag worden bewoond.

De kantonrechter oordeelt op grond van de splitsingsakte en het modelreglement uit 1992, dat de berging niet als woonruimte mag worden gebruikt. De kantonrechter leidt uit de aanduiding van de ruimte als berging af dat partijen bij de splitsingsakte het gebruik van die ruimte aan nadere beperkingen hebben willen onderwerpen te weten gebruik als berging. Hetgeen betekent ruimte om iets op te bergen, een opslagruimte. Echter oordeelt de kantonrechter dat de VvE zonder redelijke grond toestemming heeft geweigerd om de berging te gebruiken als woonruimte. De bewoners van het appartementencomplex vrezen overlast, zo stelt de VvE. Dit is echter onvoldoende om de toestemming te weigeren. Zowel het splitsingsreglement als het huishoudelijk reglement bevatten waarborgen voor het beperken en sanctioneren van overlast. De berging is bovendien op de vijfde verdieping enkel bereikbaar via de kamer van de betreffende eigenaar op de vierde verdieping en is uitsluitend en alleen gelegen boven die kamer. Als de berging als woonruimte zal worden gebruikt zullen omwonenden niet zonder meer overlast daarvan ervaren (bouwkundige situatie). Het verzoek van de eigenaar om een vervangende machtiging te verlenen voor het gebruik van de berging als woonruimte wijst de kantonrechter dan ook toe.

Berging op zolder wordt ruimte op zolder? (Rechtbank Amsterdam 16 maart 2022)

Tijdens een VvE-vergadering is met meer dan 80% van de stemmen besloten om de splitsingsakte te wijzigen waarbij “berging” op zolder wordt gewijzigd in “ruimte” op zolder. Op grond van artikel 5:140b BW vorderen de ‘tegenstemmers’ dat het besluit wordt vernietigd omdat zij schade zullen lijden bij wijziging van de splitsingsakte. Volgens hen leidt de wijziging ertoe dat de betreffende zolders mogen worden gebruikt voor bewoning met als gevolg dat het woongenot van hun woonappartementen zal dalen. De VvE stelt dat er geen schade wordt geleden omdat bewoning van de bergingen al mogelijk is.

De Rechtbank vernietigt het besluit van de VvE. Aangenomen moet worden dat degenen die tot splitsing zijn overgegaan, hebben bedoeld met het gebruik van het woord “berging” in de splitsingsakte de ruimtes op de zolderverdieping als zodanig (nader) te bestemmen, er zijn geen aanwijzingen voor het tegendeel hiervan. ‘Nader bestemmen’ wil zeggen dat conform de gangbare betekenis van dit woord berging – zijnde een ruimte om iets op te bergen, een opslagruimte, en niet een verblijfs-/woonruimte – de ruimte als zodanig moeten worden gebruikt. De VvE heeft aan één van de eigenaars eerder toestemming gegeven voor afwijkend gebruik (artikel 9 van het modelreglement uit 1973) van de zolder te weten gebruik als woonruimte. Deze toestemming bevestigt dat de uitleg van nadere bestemming, anders dan die van opslag enzovoorts, ook de meest aannemelijke uitleg is. De VvE legt/legde dus de splitsingsakte zelf (eerst) ook zo uit dat de zolder als berging dient te worden gebruikt en niet als woning, immers anders was geen toestemming voor afwijkend gebruik noodzakelijk? Voor zover het besluit van de VvE voorziet in het alsnog toestaan van bewoning, is niet gebleken dat de tegenstemmers als gevolg daarvan geen schade lijden en wordt het besluit krachtens artikel 5:140b BW vernietigd.

Alhoewel de uitkomst in beide uitspraken ‘anders’ is, geven beide uitspraken inzicht hoe deze (kanton)rechters het begrip bestemming van een berging zien.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Pieter Schut.