De gevolgen van het Verdrag van Aarhus

In mijn vorige blog schreef ik over het arrest van het Europees Hof van Justitie (HvJEU) van 14 januari 2021 in de zaak C-826/18. Dat arrest gaat nu al de boeken in als het arrest ‘Varkens in Nood”.

In dat arrest oordeelde het Hof dat artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht in strijd is met het Verdrag van Aarhus wanneer belanghebbende milieuorganisaties niet-ontvankelijk worden verklaard enkel omdat zij in de voorbereiding van een besluit geen zienswijze over dat besluit hebben ingediend. Ik sloot mijn blog af met de constatering dat het Hof geen uitspraak doet over de vraag of ook andere belanghebbenden dan milieuorganisaties met succes een beroep op het verdrag kunnen doen wanneer zij zijn vergeten zienswijzen in te dienen.

Op 25 februari 2021 deed de rechtbank Gelderland twee belangwekkende uitspraken die alweer voortborduren op het arrest van het HvJEU van 14 januari 2021. In de zaak ging het om een omgevingsvergunning voor een melkveehouderij met 250 melkkoeien. Via Bijlage I, onderdeel 19, van het Verdrag van Aarhus is dit verdrag ook op deze zaak van toepassing. Dat komt omdat op grond van het Besluit mer voor deze inrichting een milieu-effectbeoordeling moest worden gemaakt.

In de eerste uitspraak (ECLI:NL:RBGEL:2021:935) beantwoordt de rechtbank de vraag of ook andere belanghebbenden zich op het verdrag kunnen beroepen. De rechtbank oordeelt: “…naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze overwegingen van het arrest van het Hof dat ook ten aanzien van het beroep van belanghebbende particulieren artikel 6:13 van de Awb niet kan worden toegepast, ook al heeft het arrest betrekking op non-gouvernementele organisaties. Ook voor particulieren geldt immers dat de inspraakprocedure een ander doel heeft dan het beroep in rechte en dus niet aan elkaar gekoppeld mag worden. Verder geldt artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus ook op gelijke wijze voor zowel non-gouvernementele organisaties als particulieren. Ook voor belanghebbende particulieren geldt dus dat het nuttig effect van deze bepaling niet kan worden bereikt wanneer hun beroep niet-ontvankelijk is wanneer zij de inspraakfase niet benut hebben…

De rechtbank trekt de lijn die het HvJEU al trok voor non-gouvernementele organisaties dus door naar particuliere belanghebbenden.

In de tweede uitspraak (ECLI:NL:RBGEL:2021:938) doet de rechtbank er nog een schepje bovenop en oordeelt ook over de situatie waarin een particuliere belanghebbende wél zienswijzen heeft ingediend, maar niet over alle gronden van het besluit. De rechtbank oordeelt: “…Nu de ontvankelijkheid van het beroep van belanghebbenden niet afhankelijk mag worden gesteld van het gebruik maken van de inspraakprocedure, is de rechtbank van oordeel dat dit ook geldt voor afzonderlijke besluitonderdelen. Dat geldt eens te meer nu een beperktere uitleg van het arrest Varkens in Nood tot gevolg zou hebben dat belanghebbenden die geheel niet deelnemen aan de inspraakprocedure tegen alle onderdelen van het besluit in beroep kunnen komen, terwijl belanghebbenden die wel deelnemen aan de inspraak, maar niet op alle onderdelen, tegen bepaalde onderdelen niet in beroep zouden kunnen. Daardoor zouden belanghebbenden die geheel niet meedoen aan de inspraakprocedure in een gunstiger positie komen dan belanghebbenden die dat deels wel doen. Dat kan naar het oordeel van de rechtbank niet de bedoeling zijn…” 

Hoewel de uitspraken van een lagere rechter zijn en nog niet bekend is of er ook hoger beroep wordt ingesteld, is al wel duidelijk dat het arrest ‘Varkens in Nood’ gevolgen gaat hebben voor de toepassing van artikel 6:13 Awb. In Aarhus-zaken kan het in elk geval niet meer straffeloos worden toegepast wanneer een belanghebbende niet eerst de inspraakprocedure (zienswijzen) heeft gevolgd, ook niet als zienswijzen zich niet tegen alle besluitonderdelen richten.