KienhuisHoving-Academy KienhuisHoving-Academy
Website
KienhuisHoving-Academy

Aansprakelijkheid bij sport- en spel situaties

Tijdens een voetbalwedstrijd zet een speler een vliegende tackel in. Voor deze actie krijgt hij een rode kaart en de wedstrijd wordt gestaakt. Een speler van het andere team heeft namelijk een dubbele beenbreuk opgelopen en een ambulance moet eraan te pas komen. Is de voetballer die op het veld de tackel inzette aansprakelijk voor de geleden schade?

Het antwoord is, verrassend genoeg: ‘nee’. De rechtbank die onlangs over deze situatie moest oordelen kwam namelijk tot de conclusie dat er te veel onduidelijkheid was over de toedracht van de voetbalovertreding, zodat de aansprakelijkheid niet kon worden vastgesteld (ECLI:NL:RBMNE:2018:5702). Anders gezegd: de vliegende tackle werd niet ‘bestraft’, ondanks de rode kaart van de scheidsrechter, mede omdat er onduidelijkheid was over de gebeurtenissen vlak na het incident. Deze uitspraak laat zien dat de feitelijke toedracht van belang is bij de vaststelling van de aansprakelijkheid van een ‘dader'. Wat zijn andere regels waar rekening mee gehouden moet worden bij het vaststelling van aansprakelijkheid in een sport- en spelsituatie?

Om deze vraag te beantwoorden dient gekeken te worden naar de algemene regels bij en specifieke rechtspraak over sport- en spelsituaties.

Algemene regel

De algemene regel is dat voor deelnemers aan een sport- en spelsituatie een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid geldt, omdat deelnemers aan een sport in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten. Bij sportactiviteiten is veelal sprake van een bepaalde mate van over en weer geaccepteerde gevaar. De kans op ongevallen kan door een sport aanzienlijk zijn en de gevolgen van een ongeval mogelijk ernstig. Hieruit volgt dat gevaarlijke gedragingen van een sport- en speldeelnemer, die zijn mededeelnemers redelijkerwijs moesten verwachten, in beginsel geen onrechtmatigheid aan de zijde van die deelnemer zullen opleveren.

Daartegenover staat dat gevaarlijke gedragingen die mededeelnemers niet hoefden te verwachten, in beginsel wel onrechtmatig zijn. Indien schade het gevolg is van ‘toeval’, weegt in het algemeen het adagium ‘ieder draagt zijn eigen schade’ zwaarder dan het uitgangspunt dat ‘men een ander geen schade moet berokkenen’. ‘Toeval’ kan door de rechter worden begrepen als een ‘ongelukkige samenloop van omstandigheden’ en bij de beoordeling hiervan is doorslaggevend of de gedraging die de schade heeft veroorzaakt niet ongeoorloofd en derhalve niet onrechtmatig is.

Specifieke rechtspraak

‘Normaalgevaarlijke’ sportieve situaties

De rechtspraak over sport- en spelsituaties ziet vooral op de ‘normaalgevaarlijke’ sportieve situaties. Zo speelde in een andere voetbalwedstrijd bijvoorbeeld het volgende. Bij terugkeer op het eigen voetbalterrein wierpen enkele spelers uit het team de voetbaltrainer in een sloot naast het voetbalveld om het kampioenschap te vieren. Daarbij liep de trainer letsel op. Het Hof Amsterdam overwoog in die zaak dat dit gedrag onrechtmatig is omdat ‘de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van het gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden’. De mate van waarschijnlijkheid dat schade intreedt is dus een belangrijke factor bij de bepaling van de aansprakelijkheid van de ‘dader(s)’. Dit blijkt ook uit een stoeipartij waar een persoon een andere persoon in een sloot gooide met letsel als gevolg. Dit gedrag was volgens de Rechtbank Leeuwarden onrechtmatig omdat de kans op een ongeval dermate groot was dat de ‘dader’ zich van zijn gedrag had moeten onthouden.

Ook tijdens ‘onschuldige’ sportsituaties zoals fietsen kan aansprakelijkheid ontstaan. In een zaak die zich voordeed bij het Hof ’s-Hertogenbosch deed zich bijvoorbeeld het volgende voor. Tijdens een door de werkgever georganiseerde toerfietstocht minderde een op kop fietsende collega plotseling vaart, waardoor een collega letselschade ondervond. Het hof bepaalde dat de fietsster gezien de specifieke omstandigheden in de gegeven sportsituatie een dergelijke gedraging van de fietser niet hoefde te verwachten, terwijl de fietser van zijn kant deze gedraging vanwege de daaraan verbonden risico’s achterwege had behoren te laten. Het gedrag van de collega was volgens het hof onnodig gevaarlijk, onzorgvuldig en mitsdien onrechtmatig. Een ander voorbeeld is golf. Een golfer had in een zaak waar de Rechtbank Amsterdam over moest oordelen, de in de golfsport geldende veiligheidsnormen geschonden. Hij had namelijk geen voorzorgmaatregelen genomen, zoals ‘fore’ roepen voor een slag. Hierdoor had een andere speler (letsel)schade opgelopen. De rechtbank vond dat de speler onrechtmatig handelde omdat hij het risico had genomen dat hij een andere golfer zou raken en de benadeelde speler deze onzorgvuldige gedraging niet hoefde te verwachten (ECLI:NL:RBAMS:2013:6608).

‘Gevaarlijke’ sportieve situaties

Maar wat indien sprake is van een ‘gevaarlijke’ sportieve situatie? Zoals motorcross of karten? In een zaak die zich voordeed bij de rechtbank Arnhem was een motorcrosser zijn motorcross op de baan aan het repareren – tijdens de wedstrijd. Dit was in strijd met de ongeschreven veiligheidsregel op grond waarvan motorcrossers met motorpech het circuit onmiddellijk dienen te verlaten. De crosser deed dit direct achter een van de hoogste springbulten van het circuit en onzichtbaar voor achteropkomende motorrijders. De rechtbank oordeelde in deze casus dat het overtreden van voornoemde veiligheidsregel (een elementair veiligheidsaspect van het motorcrossen) onrechtmatig was, omdat het gevaarzettend is en daardoor in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Wat karten betreft: op een kartbaan vond een aanrijding plaats tussen een onervaren karter en een ervaren kartster. Tijdens het vrij rijden is een deelnemer (20 jaar, onervaren karter) met zijn kart van de baan geraakt en bij het weer oprijden van de baan aangereden door een ervaren kartster (bijna 15 jaar ervaring), die daarbij letselschade opliep. De ervaren kartster stelde zowel de onervaren karter als de kartbaan aansprakelijk voor haar (letsel)schade.  De rechtbank paste de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel uit de sport- en speljurisprudentie toe en overwoog dat de aard en intensiteit van de activiteit bij de beoordeling een belangrijke rol speelt. Zo is de situatie waarbij (recreatief) wordt gekart anders dan deelname aan een motorcrosswedstrijd, omdat daar nu eenmaal andere gevaren besloten liggen dan in deelname aan een wat rustiger activiteit (zoals een recreatieve snorfietstoertocht). In casu was niet komen vast te staan dat de onervaren karter niet goed had uitgekeken door meteen weer het circuit op te rijden. Geoordeeld werd dus dat de onervaren karter niet onrechtmatig had gehandeld (ECLI:NL:RBOBR:2017:2753).

Toepassing van sport- en spel jurisprudentie

De ruimte voor (de nabestaanden van) een benadeelde om aansprakelijkheid van de schadeveroorzakende medesporter te vestigen, is gekanaliseerd tot drie beperkte vragen:

  1. Is er sprake van een sport- of spelsituatie?
  2. Kwalificeert het gedrag binnen die sport of het spel als onrechtmatig? Bij de beantwoording van deze vraag is de aard van de sport relevant. Naarmate de sport of het spel gevaarlijker is, wordt namelijk de kring van te verwachten gedragingen groter en is er derhalve minder ruimte voor aansprakelijkheid. Verder is relevant of er spelregels zijn overtreden tijdens de gedraging (die ‘onsportief’ was of verontwaardiging opriep), en of tijdens de sport de kans op letsel uitgesloten kan worden. Dit betekent echter niet dat het naleven van spelregels niet onrechtmatig kan zijn, omdat ook bij het volgen van de regels bijvoorbeeld sprake kan zijn van onvoorzienbaar en/of (te) gevaarlijk gedrag van een speler.
  3. Is sprake van eigen schuld ex art. 6:101 BW van de benadeelde speler? De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een gelaedeerde de risicoaanvaarding ex art. 6:101 BW bij sport en spel niet kan worden tegengeworpen. Echter, het gegeven dat deelnemers aan een sport of een spel zich vrijwillig begeven in die situatie met daaraan klevende bekende gevaren, werkt wel door in de vraag naar aansprakelijkheid wanneer een dergelijk gevaar zich voordoet en schade ontstaat. Deze doorwerking vertaalt zich in een verhoogde drempel voor het aannemen van onrechtmatig handelen van deelnemers aan deze sport of het spel onderling.

 

Conclusie

Het is lastig om in een sport- en spelsituatie de (on)rechtmatigheid van bepaald gedrag te beoordelen, vooral wanneer die gedragingen niet ongewoon zijn in het heetst van de strijd. Dat geldt in het bijzonder bij een extreem gevaarlijke sport.

Heeft u vragen over aansprakelijkheid bij een sport- en spelsituatie? Kunnen wij u daarbij helpen? Neemt u dan contact op met Christian Mutlu (053 -480 4216).