Aannemer kan zich niet langer beroepen op ontbreken procesvolmacht VvE

Het komt regelmatig voor dat een VvE een procedure begint tegen een aannemer vanwege gebreken aan het opgeleverde werk. Daarvoor heeft het bestuur in beginsel een door de vergadering van eigenaars afgegeven procesvolmacht nodig, anders riskeert zij niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voorheen kon het ontbreken van een procesvolmacht slechts onder bepaalde omstandigheden worden ‘gerepareerd’. In een onlangs gepubliceerde uitspraak komt de Raad van Arbitrage terug op deze eerdere rechtspraak.

Machtiging van de vergadering van eigenaars

De vereniging van eigenaars (hierna: VvE) is op grond van artikel 5:126 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bevoegd de gezamenlijke appartementseigenaars in en buiten rechte te vertegenwoordigen binnen de grenzen van haar bevoegdheid. De grenzen van deze vertegenwoordigingsbevoegdheid zijn veelal neergelegd in het van toepassing verklaarde (model-)splitsingsreglement. Zo zijn in de artikelen 41 lid 4, 53 lid 5 en 57 lid 5 van de modelsplitsingsreglementen 1992, 2006 en 2017 gelijkluidende bepalingen opgenomen, inhoudende dat het bestuur van de VvE in beginsel de machtiging behoeft van de vergadering van eigenaars voor het instellen van rechtsvorderingen.[1] Dit betekent dat (het bestuur van) de VvE in beginsel een procesvolmacht nodig heeft van de vergadering van eigenaars om een procedure aanhangig te maken. Heeft de VvE die volmacht niet, dan is sprake van onbevoegde vertegenwoordiging waarbij de VvE het risico loopt niet-ontvankelijk te worden verklaard indien de wederpartij een beroep doet op de onbevoegde vertegenwoordiging.

Herstelmogelijkheid bij ontbreken procesvolmacht

Het ontbreken van een procesvolmacht kon tot voor kort na het instellen van een rechtsvordering worden gerepareerd door de vergadering van eigenaars middels bekrachtiging van de ingestelde rechtsvordering(en). Aan deze reparatiemogelijkheid stelde de Raad van Arbitrage voor de Bouw (hierna: RvA) wel een beperking, namelijk dat bekrachtiging slechts mogelijk was tot het moment waarop de wederpartij een beroep deed op de onbevoegde procesvertegenwoordiging van de VvE. Daarna was herstel niet meer mogelijk.[2] De RvA sloot hiermee aan bij artikel 3:69 lid 3 BW, waarin kort gezegd is bepaald dat bekrachtiging van een rechtshandeling geen gevolg heeft indien de wederpartij reeds te kennen heeft gegeven dat zij de handeling wegens het ontbreken van een volmacht als ongeldig beschouwt.

Verruiming van de herstelmogelijkheid

In een vorige maand gepubliceerde uitspraak heeft de RvA de aansluiting bij artikel 3:69 BW bij het ontbreken van een procesvolmacht laten vallen. In de onderhavige procedure werd een aanneemster door een aantal VvE’s aansprakelijk gesteld voor diverse gebreken aan de verschillende appartementencomplexen. Voorafgaand aan het indienen van de memorie van eis hadden de algemene ledenvergaderingen geen machtiging aan het bestuur van de VvE’s verleend voor het instellen van de rechtsvorderingen. Aanneemster deed een beroep op het ontbreken van een procesvolmacht en stelde dat de VvE’s niet-ontvankelijk zijn. De arbiter oordeelt anders, namelijk dat artikel 3:69 BW niet van toepassing omdat dit artikel ziet op het verrichten van rechtshandelingen. Volgens de arbiter is het instellen van een rechtsvordering iets anders dan het verrichten van een rechtshandeling. De wet verzet zich niet tegen het alsnog verlenen van een procesvolmacht, aldus de arbiter.[3]

Omdat artikel 3:69 BW volgens de arbiter niet (meer) van toepassing is bij de bekrachtiging van proceshandelingen, geldt dus ook niet meer de beperking als genoemd in lid 3 van dit artikel. Dit betekent dat het ontbreken van een procesvolmacht nu ook hersteld kan worden nadat de wederpartij daar een beroep op heeft gedaan. De vergadering van eigenaars zal dan alsnog een procesvolmacht moeten afgeven aan de VvE. Gevolg is dus dat de wederpartij van een VvE zich voortaan in procedures bij de RvA niet meer kan verweren met de stelling dat een procesvolmacht ontbreekt, indien die procesvolmacht in een later stadium alsnog door het bestuur van de VvE wordt verkregen. In zoverre wordt met deze uitspraak teruggekomen op de eerdere rechtspraak van de RvA.

Commentaar

Bij deze uitspraak kunnen mijns inziens de nodige kanttekeningen worden geplaatst. De enkele stelling van de arbiter dat het instellen van een rechtsvordering iets anders is dan het verrichten van een rechtshandeling is naar mijn mening niet zonder meer juist.[4] Belangrijker nog is het feit dat artikel 3:69 BW wel degelijk van toepassing kan zijn buiten het vermogensrecht, gelet op de schakelbepaling in artikel 3:79 BW. Weliswaar bepaalt dit artikel dat dit anders kan zijn indien de aard van de rechtsbetrekking zich tegen overeenkomstige toepassing verzet, maar niet valt in te zien waarom deze uitzondering zich in deze casus voordoet. Opvallend is dat de arbiter mijns inziens ten onrechte aan deze schakelbepaling voorbij gaat. Ik ben dan ook van mening dat artikel 3:69 BW in beginsel wel degelijk van toepassing is in procedures bij (onder meer) de RvA.

Conclusie

Voorheen kon de wederpartij van een VvE zich met succes verweren tegen een vertegenwoordigingsonbevoegde VvE, door zich te beroepen op het ontbreken van een procesvolmacht. Blijkens de uitspraak van de RvA kan de VvE dit gebrek nu ook herstellen nadat de wederpartij daar een beroep op heeft gedaan. Het gevolg is dat de mogelijkheden van een wederpartij om zich te beroepen op het ontbreken van een procesvolmacht aanzienlijk beperkter zijn dan voorheen.

Laurens Vermeulen

Deze blog is genomineerd voor de publieksprijs Magna Charta LTD voor de beste Bouwrechtblog.

[1] Dit geldt overigens niet voor procedures met een belang dat niet groter is dan het bedrag dat door de vergadering is vastgesteld, beslagmaatregelen, incassoprocedures en in het geval dat de VvE enkel verweer voert.

[2] Zie bijvoorbeeld RvA 19 juni 2012, Nr. 33.571 en RvA 17 september 2015, Nr. 71.985.

[3] Het gerechtshof Den Haag kwam in het arrest van 14 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1623 ook al tot een soortgelijk oordeel.

[4] Het instellen van een rechtsvordering kan mijns inziens wel degelijk tevens een rechtshandeling inhouden, bijvoorbeeld wanneer een rechtsvordering wordt ingesteld om de verjaringstermijn te stuiten ex artikel 3:316 lid 1 BW.